Vijfde zondag van de veertigdagentijd

Kalender (B-cyclus) - 18 maart 2018

Niets is zo diepmenselijk als sterven en begraven worden. En toch blijft het een duister mysterie. Met al zijn verdriet huivert Jezus en raakt ontroerd bij de dood van zijn vriend Lazarus. Met de beide vrouwen, Marta en Maria, gaat Hij naar het graf. Hij, die zelf de Verrijzenis en het Leven is, wekt Lazarus op. Opstaan uit de doden is zich bekeren, is elkaar dienen tot geluk van de ander. Wie in Jezus gelooft zal door de dood van zonde en ongeloof heen tot nieuw leven gewekt worden, ook als je ver van huis mocht zijn geraakt. Laten wij ons ontdoen van de steen van zonde en ongeloof in ons leven, opdat wij mogen geloven in Hem die is de Verrijzenis en het Leven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus 1 Er was iemand ziek,
een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta. 2 Maria was de vrouw die de Heer
met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer. 3 De zusters van Lazarus stuurden Jezus de boodschap:
"Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek." 4 Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
"Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden." 5 Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus. 6 Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, 7 maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
"Laat ons weer naar Judea gaan." 17 Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 20 Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis. 21 Marta zei tot Jezus:
"Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn. 22 Maar zelfs nu weet ik
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven." 23 Jezus zei tot haar:
"Uw broer zal verrijzen." 24 Marta antwoordde:
"Ik weet dat hij zal verrijzen
bij de verrijzenis op de laatste dag." 25 Jezus zei haar:
"Ik ben de verrijzenis en het leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, 26 en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?" 27 Zij zei tot Hem:
"Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt." 33 Toen Jezus Maria zag wenen,
en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering en diep ontroerd 34 sprak Jezus:
"Waar hebt gij hem neergelegd?"
Zij zeiden Hem:
"Kom en zie, Heer." 35 Jezus begon te wenen, 36 zodat de Joden zeiden:
"Zie eens hoe Hij van hem hield." 37 Maar sommigen onder hen zeiden:
"Kon Hij, die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?" 38 Bij het graf gekomen
overviel Jezus opnieuw een huivering.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. 39 Jezus zei:
"Neemt de steen weg."
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
"Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag." 40 Jezus gaf haar ten antwoord:
"Zei Ik u niet, dat als gij gelooft
ge Gods heerlijkheid zult zien?" 41 Toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
"Vader, ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. 42 Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt." 43 Na deze woorden riep Hij met luide stem:
"Lazarus, kom naar buiten!" 44 De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
"Maakt hem los en laat hem gaan." 45 Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.

Johannes 11, 1-7.17.20-27.33-45