Geboorte van Jezus

25 december (Lucas 2:1-21)

 

Maria, die verloofd is met Jozef, krijgt het nieuws van een engel dat ze een Zoon zal krijgen. De engel zegt: “Wees gegroet, Maria”, “God heeft jou gekozen om de moeder van zijn Zoon te worden. Noem het kind Jezus.” “Laat gebeuren wat God wil”, antwoordt Maria.

In die tijd» kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk» zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam.

Jozef ging van de stad Nazareth in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Bethlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw.

Toen Maria en Jozef in Bethlehem aankwamen, moest Maria bevallen. Ze hadden geprobeerd om onderdak te vinden in een herberg, maar daar was geen plaats meer. Volgens de overlevering vond de geboorte plaats in een stal, omringd door dieren. Maria wikkelt hem in doeken en legt hem in een voederbak.

In de buurt van de stal houden herders de wacht bij hun schapen. Ze hebben vuurtjes gemaakt om het warm te krijgen. Opeens is er fel licht te zien inde hemel boven de herders. Het is een engel. “Wees niet bang”, zegt de engel. “Ik heb goed nieuws voor jullie. Er is een heel bijzonder kind geboren in een stal in Bethlehem. Een kind van vrede.”

Plotseling verschenen vele andere engelen in stralende heerlijkheid en loofden God met het lied: “Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft”. In de stad vonden de herders wat de engelen hadden gezegd, en hebben vast en zeker aan anderen verteld dat hen engelen God verschenen waren en dat zij het Kind in de kribbe hadden gezien.

Drie wijzen uit het oosten, Melchior, Caspar en Balthasar, hadden over deze geboorte gehoord en gingen op weg. Zo’n bijzonder kind, dat wilden we graag zien. Maar waar zouden we moeten zoeken? “Dit kind is vast een koningskind”, zei Caspar, “laten we in Israël de koning zoeken, dan is dat kind vast in de buurt.”

Maar de koning, Herodes, wist van niks. Hij werd er nogal chagrijnig van. “Hoe weten jullie dat?”, snauwde hij. Hij sprak tegen de 3 wijzen: “Mijne heren, ik stel bijzonder veel belang in uw zoektocht. Houdt mij op de hoogte van uw vorderingen, zodat ik zelf het kind ook met een bezoek kan vereren.

De drie wijzen trokken naar Bethlehem, geleid door een ster. In het huis waarboven de ster stil stond, vonden zij het kind Jezus. Ze schonken hem goud, wierook en mirre, een aangenaam geurende hars.

God waarschuwde in een droom de wijzen ten slotte niet naar Herodes terug te gaan. Ze keerden daarom langs een andere route naar hun land terug. Toen Herodes ontdekte dat hij misleid was, liet hij, afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, alle jongetjes in Bethlehem tot de leeftijd van twee jaar vermoorden (de kindermoord van Bethlehem). Jozef was echter door God gewaarschuwd en was tijdig met Maria en Jezus gevlucht naar Egypte.