|
Koningin van de
Onze Lieve Vrouw van Pompeļ
Al spoedig begint Longo onder de armen van die streek het rozenkransgebed te propageren, maar hij heeft maar weinig resultaat; de meeste mensen kennen het Weesgegroet niet eens! Zo tobt hij drie jaar verder, zonder veel resultaat te bemerken. Maar in 1876 lukt het hem toch, de Broederschap van de Rozenkrans ingevoerd te krijgen. Als dank wil hij daarop in het parochiekerkje een Rozenkransaltaar oprichten. De bisschop van Nola echter (waartoe Valle di Pompeļ behoort), weet Longo ervan te overtuigen, dat hij er beter aan zou doen, aan deze arme parochie een geheel nieuwe kerk te schenken en daartoe een inzamelingsactie te houden. Daarom begint Bartolo Longo dan geld in te zamelen voor de nieuw te bouwen kerk. Het vlot echter ook maar erg matig met deze inzameling van geld, ook al boort hij veel van zijn relaties aan. Plotseling komt er echter een ontwikkeling ten goede. In Napels geneest ineens een doodziek meisje, nadat zij de heilige Maagd beloofd heeft, een bijdrage te zullen geven voor de nieuwe kerk in Valle di Pompeļ. Het kind geneest juist op de dag, waarop in Napels de Broederschap van de heilige Rozenkrans wordt opgericht en deze plotselinge genezing baart groot opzien. Daarna wordt het aantal gebedsverhoringen van mensen, die een bijdrage voor deze kerk beloven, zo groot, dat Longo al gauw over enorme sommen de beschikking heeft. Dan wordt het hem duidelijk, dat de heilige Maagd niet zo maar een nieuwe parochiekerk wil, maar een groot heiligdom, waar Zij als Koningin van de Heilige Rozenkrans vereerd zal worden. De bouw van een dergelijk Rozenkrans-heiligdom kan nu groots worden aangepakt. Men bouwt dan vijftien jaar aan een basiliek, die in 1891 met grote luister wordt ingewijd en aan de Heilige Stoel in eigendom wordt overgedragen. Als Bartolo Longo in 1876 met de invoering van de Rozenkrans-Broederschap begint, zoekt hij naar een afbeelding van de heilige Maagd Maria als Koningin van de Rozenkrans. Hij gaat naar Napels om zich daar een dergelijk schilderij te kopen, maar de prijs, die men hem vraagt is zo hoog, dat Longo ervan afziet. Kort daarop ontmoet hij een hem bekend priester, die hem naar een zusterklooster verwijst. De priester had nl. een paar jaar daarvoor een dergelijk schilderij aan het klooster geschonken, nadat hij het voor een paar gulden in een uitdragerij heeft gekocht. Longo begeeft zich naar het bedoelde klooster en schrikt als men hem het oude en vergane schilderij toont, dat bovendien ook helemaal niet mooi geschilderd is. De zuster die het hem laat zien, dringt er bij hem echter op aan, het toch maar mee te nemen en zij vindt dat het schilderij best goed genoeg is om er een Weesgegroet voor te bidden. Longo neemt dan het schilderij dat 1.40 x 1 meter groot is mee en laat het op een wagen naar Pompeļ brengen. Hij laat het wat herstellen en daarna wordt het in de parochiekerk ter verering geplaatst. Het schilderij stelt de heilige Maagd Maria voor als Koningin van de heilige Rozenkrans. Zij zit op een troon met het Kind Jezus op Haar schoot en Zij houdt het goddeljk Kind met de rechterhand vast. Rondom Haar hoofd bevindt zich een kroon van twaalf sterren. Met Haar linkerhand reikt Zij een rozenkrans aan de heilige Katharina van Siena die links voor Haar knielt. Het Kind Jezus reikt een rozenkrans uit aan de heilige Dominicus, die aan Haar rechterzijde ligt neergeknield. In 1887 werd de beeltenis plechtig gekroond; de kronen van Jezus en Maria werden door Paus Leo XIII zélf gezegend. Bij de processie, die toen met de gekroonde beeltenis (die Longo door een beroemd schilder in Napels nog eens had laten restaureren) door de landstreek plaatsvond, waren meer dan 15.000 pelgrims aanwezig.
Op 8 juni 1876 - dus kort voor de voorlopige plaatsing van dit schilderij in de
parochiekerk - verscheen de heilige Maagd Maria voor het eerst aan een zieke vrouw in
de gestalte, zoals Zij op dit schilderij is uitgebeeld. Onder Haar werden de
woorden zichtbaar: “Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans van Pompeļ heeft u gezond
gemaakt”. Eén van de propagandisten voor de bouw van de Rozenkrans-basiliek (met de bouw daarvan was men toen al begonnen) gaf haar een medaille en een noveenboekje tot Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans. Het gezin begon meteen met de noveen te bidden en men bleef daarmee doorgaan. Op 3 maart, terwijl het meisje zich in een hevige kramptoestand bevond, verminderden de pijnen om drie uur ‘s middags vrij plotseling. Op dat moment verscheen haar de heilige Maagd als de Rozenkranskoningin van Pompeļ. Bij Haar verschijning was de troon, waarop de heilige Maagd op het schilderij is uitgebeeld, door lichtende gestalten omgeven en de troon was verder helemaal met bloemen versierd. Ook bij deze verschijning droeg Zij het Kind Jezus op Haar schoot en in Haar gezelschap bevonden zich de heilige Katharina en de heilige Dominicus; alles straalde van hemelse schoonheid. Maria glimlachte tegen het meisje, waarop deze de heilige Maagd vertelde, dat zij graag gezond wilde worden, dat zij al met een noveen begonnen was, maar nog niet beter geworden was. Toen sprak de heilige Maagd tot haar: “Kind, je hebt Mij onder verschillende titels aangeroepen en altijd genade van mij ontvangen. Nu je Mij echter onder de titel van Koningin van de heilige Rozenkrans aangeroepen hebt, een titel die Mij erg dierbaar is, kan Ik je de gevraagde genade niet langer weigeren. Deze titel is Mij boven alles lief en dierbaar. Houd nu nog drie novenen en dan zul je alles verkrijgen.” Bij een latere verschijning zei de heilige Maagd haar nog: “Wie steeds nieuwe genaden van Mij verkrijgen wil, moet drie novenen houden met het rozenkransgebed en drie novenen uit dankzegging. Op 8 mei van dat jaar genas het meisje plotseling geheel en kort daarop kwam zij naar Valle di Pompeļ om daar persoonlijk de heilige Maagd bij Haar beeltenis dank te brengen en te eren. Paus Leo Xl11 schreef aan Bartolo Longo het vo1gende: “God heeft zich van deze heilige afbeelding, die vereerd wordt in de bedevaartskerk te Pompeļ bediend om honderdduizenden gelovigen tot het buitengewoon heilzame bidden van de Rozenkrans terug te brengen”.
|