|
Zalige Maria van Jezus
Oprichtster van de Congregatie van Feestdag: 27 februari Maria Deluil-Martiny werd op 28 mei 1841 te Marseille geboren, als de oudste van vijf kinderen. Haar vader was advocaat in Marseille. Van haar vader erfde zij de edele dapperheid, die haar alle moeilijkheden op haar levenspad deed overwinnen. Van haar moeder nam zij een vurig geloof over en een grote fijngevoeligheid. De twee krachtbronnen in haar leven waren het Heilig Hart en de Eucharistie. Toen Maria de leeftijd bereikte om haar eerste Communie te doen ( het moet rond 8 jaar geweest zijn), wilden haar ouders haar begunstigen met een ernstige voorbereiding op deze grote daad. Zij vertrouwden haar toe aan de religieuzen van de Visitatie van Marseille (kostschool). Toen zij 12 werd en haar eerste Communie ging doen, werd ze ernstig ziek zodat ze haar eerste Communie niet kon doen met haar metgezellen. Deze werd daarom uitgesteld en het was op 22 december 1853 dat ze alleen voor het eerst haar God ontving. Ze was ook alleen om het sacrament van het vormsel te ontvangen op 29 januari 1854. Al spelend had zij als kind op 14 à 15-jarige leeftijd een kleine religieuze orde "de oblaten van Maria" gesticht, compleet met regel, noviciaat en opdracht. Deze orde werd echter van hogerhand opgeheven, toen men het ontdekte. Toen Maria 15 jaar was keerde ze terug naar haar familie om haar moeder te helpen bij de opvoeding van haar jongere zussen. Ondertussen reisde ze naar Lyon met haar ouders en haar jongere zus Amélie. Wegens gezondheids- en familieredenen besloten haar ouders om de opvoeding van Amélie toe te vertrouwen aan de religieuzen van het H. Hart van de “Ferrandière” (kostschool). Haar ouders reisden bij deze gelegenheid door naar Parijs terwijl Maria bij haar jongere zus bleef. Maar toen ze terugkwamen van Parijs, vroeg Maria met aandrang om bij haar zus op kostschool te blijven, waarmee haar ouders instemden. Zij was toen 15 jaar. Maria genoot hier een hoge intellectuele en morele opvoeding. Op 17-jarige leeftijd werd zij genoodzaakt terug naar huis te gaan om haar familie bij te staan. Alvorens Lyon te verlaten had zij het geluk een retraite te volgen, geleid door een pater Jezuït, die beslissend was voor haar verdere roeping. Zij gaat, om nog meer bovennatuurlijk licht over haar verdere levensweg te krijgen, naar Ars waar zij twee dagen verblijft om in de biechtstoel de bekende (thans) heilige pastoor Jean Baptiste-Maria Vianney te ontmoeten. Daarna reist zij terug naar haar familie in Marseille. In 1864 wordt Maria Deluil-Martiny "eerste ijveraarster” van de pas opgerichte erewacht van Jezus’ Heilig Hart, waarvan de leden elke dag een vast, door henzelf gekozen uur aan het Heilig Hart toewijden; zij ijvert met medailles, boekjes en plaatjes en maakte een kort lied:
Vorm, geheel de
onverdeelde aarde, Tijdens een retraite zijn Hart ter eer in 1865 werd zij bevrijd van de angstvalligheid waaronder zij leed. Zij schreef uit de werken van Franciscus van Sales de gedeelten bijeen waar hij schrijft over het Heilig Hart. Na een preek over het Heilig Hart door pater Calage S.J., eind 1866, werd deze pater haar leidsman. In maart 1867 stierf Maria’s jongste zus, vijftien jaar oud.
Tijdens een retraite in datzelfde jaar sloot zij zich aan “bij de eeuwigdurende
aanbidding van Jezus’ Heilig Hart om door Hem de allerheiligste Drievuldigheid
te aanbidden.” Haar dankzegging na de communie was als volgt: “Ik offerde Jezus
Christus aan Hemzelf en aan de allerheiligste Drievuldigheid (Hij had mij dat
geleerd door het mij te laten doen) als een offerande levend in mijn ziel en
sedertdien ben ik het niet meer die Jezus offert, maar is Hij het die Zich
opoffert in mij. Sedert enige tijd schijnt de Heer in mijn ziel een altaar te
hebben opgericht, waarop Hij Zich zonder ophouden aan zijn Vader en aan de
aanbiddelijke Drievuldigheid opoffert. Hij wil blijkbaar dat mijn ziel in
ononderbroken aanbidding in zijn tegenwoordigheid verblijft, alleen maar Hem
beschouwend en mij aansluitend bij de goddelijke akten die Hij verricht.” Hiermee grijpt zij vooruit op de stichting die zij in 1869 als volgt omschrijft: “In het toekomstig genootschap moet alles voor het Heilig Hart van Jezus zijn. Het is het verlangen van de leden om uit liefde en tot aan de slachtoffering toe eerherstel te brengen voor de aan Jezus toegebrachte wonden, vooral voor die wonden die Hem het diepst hebben gekwetst.
Alles voor het Hart van Jezus, maar door het Hart van Maria. Het is alsof God
voor onze tijd het geluk en de roem heeft weggelegd om door een bijzondere
eredienst en navolging dat gedeelte van Maria’s leven te vereren dat begon op de
Calvarieberg en eindigde bij haar zalige dood. Na Jezus’ hemelvaart bleef Maria
op aarde alleen met haar herinneringen, alleen met haar in de eucharistie
verborgen schat, alleen met de opgroeiende bruid, de Kerk, wier wieg haar was
toevertrouwd en die zij moest voeden met de melk van haar opofferingen. De
eucharistie, de herinneringen aan de Calvarieberg, de Kerk, ziedaar waaromheen
Maria’s leven zich na de hemelvaart beweegt... Op 19 juni 1873 werd te Berchem bij Antwerpen de sluier opgelegd aan moeder Maria van Jezus en enkele medezusters; de volgende dag baden zij na de eucharistie de zeven kruiswoorden en Maria’s lofzang. De troost van pater Calage voor een ontmoedigde Maria van Jezus is van de volgende soort: “Er is behoefte aan iemand, en dat bent u, die door te lijden de genade verdient voor anderen. Alles in u moet voor de zielen zijn en het is juist uw inwendige leegheid die hen verrijkt. Veel hebt u geleden, maar nog meer zult u lijden. Men moet de zielen voeden met zijn zweet en zijn bloed, hen staande houden met zijn verdriet en hen ondersteunen en dragen met het kruis in zijn hart.” De leiding die zij zelf gaf, lag in dezelfde lijn: “Onafgebroken vereniging, door verzaking van uzelf en opoffering, met het altijd op onze altaren opgedragen offer van Jezus”; “ook wanneer men zich neerlegt hij alles wat Jezus wil, betekent dat niet dat men het offer niet diep voelt; maar dat is des te beter, want men offert zich niet op om te genieten maar om te lijden.”
Een bladzijde uit haar dagboek: “De Vader
schenkt zijn Zoon aan de wereld en ontvangt Hem; de aarde ontvangt en offert
Hem; zij offert Hem en zichzelf met Hem. Dat is voldoende en het is allemaal tot
meerdere glorie van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Omdat vlekkeloze
handen werden vereist om de Zoon uit de schoot van de Vader te ontvangen, heeft
God de Maagd Maria uitverkoren. God, verwek zielen die deze liefdesgeheimen
begrijpen en er zich aan overgeven en geheel hun leven bouwen op de grondslag
van deze geest van vereniging, zeifverloochening en slachtoffering” (23 oktober
1874).
Zij nemen de onbevlekte Maagd Maria tot voorbeeld en beschermster. Zo innig mogelijk verenigd met de gevoelens en de gesteldheid van de gezegende Maagd toen deze, staande aan de voet van het kruis, aan Gods gerechtigheid het kostbaar Bloed van haar goddelijke Zoon aanbood voor het heil van de wereld en, toen zij aan het einde van haar aards bestaan, nog geheel opgaande in de herinnering aan het bloedig offer van het kruis, voortdurend opnieuw bezield werd door de werkelijkheid van het offer van onze altaren en, zich wijdend aan de belangen van de opgroeiende kerk, deze steunde met haar vurige gebeden en haar verborgen opofferingen. Zo zullen ook de dochters van Jezus’ Heilig Hart onafgebroken haar gebeden en boetplegingen, haar werk, haar offers en zelfs haar leven aanbieden voor de belangen van de katholieke Kerk, voor de priesters en de religieuze orden. De zusters bidden de kerkelijke getijden, houden altijddurende aanbidding en volgen de regels van St. Ignatius. De constituties werden in 1876 goedgekeurd. Op 17 augustus 1878 werd de aan de zusters toevertrouwde basiliek, la sainte chapelle en het Paray-le-Monial van België, ingewijd en op 22 augustus legden de eerste vijf zusters hun eeuwige geloften af. Na de opening van een huis te Aix-en-Provence in 1877, volgde in 1879 een stichting te La Servianne bij Marseille. Maria van Jezus aan haar medezusters: “0, Lam van de hemelse Vader, aanvaard ook ons als uw lammeren; verenig ons met U aan het kruis en op het altaar; vorm onze harten naar uw geofferd Hart en, indien mijn ellendig leven dienen kan om de zielen waarnaar uw Hart versmacht, tot U te leiden, ik smeek U, neem het dan, o mijn liefde, maar heers tenminste als bruidegom over de zielen van dit instituut en als Koning over alle harten “ (8 december 1882). Maria van Jezus over versterving “De tijden dat men van koude of hitte heeft te lijden, zijn prachtige buitenkansjes; er bij dergelijke gelegenheden niet over spreken is een kostbare versterving omdat niemand het bemerkt of erop let ; alles is daarbij voor Jezus alleen.” Maria van Jezus aan een vriendin : “Wat zijn die herhaalde
ergerlijke overwinningen van goddeloosheid en afval een pijnlijke wonde aan het
hart ! . . . Ik ben er bedroefd onder! . . . Onze plicht is dergelijke zware
beledigingen goed te maken. Kon ik ze maar uitwissen in mijn bloed! . . . Hadden
wij de harten van serafijnen (10 januari Op 27 februari 1884 werd Maria van Jezus te La Servianne
doodgeschoten door een gewezen tuinman van de zusters, die diezelfde morgen aan
het dagblad “Hydre anarchiste” de volgende brief had gestuurd: “Wij beginnen met
één, om het tot honderd te brengen. Ik wil de eer hebben de eerste te zijn en de
weg te banen voor hen die besloten hebben mij te volgen. Men kan de zaak niet
veranderen met woorden . . . Indien u wilt dat uw zaak goed gedaan wordt, doe ze
dan zelf en ontmoedig anderen niet die besloten hebben om in de strijd voor het
goede glorierijk te sterven. Maria van Jezus Deluil-Martiny werd begraven in Marseille. Haar stoffelijk overschot werd in behouden toestand overgebracht naar Antwerpen in 1906. Nu rust ze in een glazen schrijn in de Basiliek van het Heilig Hart te Antwerpen-Berchem. De Heilige Vader, Paus Johannes-Paulus II heeft haar zalig verklaard in Rome op Missiezondag, 22 oktober 1989.
- Stichting Marypages -
|