|
Onze
Lieve Vrouw
1938 - 1965 Door pastoor Rudo Franken: Ter inleiding: Van 1938 tot 1965 zou Jeanne-Louise Ramonet in Kérizinen (Bretagne) op een veld dicht bij haar huis 71 verschijningen hebben gehad van Maria en van Jezus. De zogezegde verschijningen gingen meestal vergezeld van boodschappen. Sinds de tijd dat Jezus en Maria samen zouden verschijnen (1 juni 1956), zouden zij hun harten openbaren als door een zwaard verenigd en zouden zij vragen om de devotie tot hun “twee Harten, verenigd in de heilige Geest” in de wereld te verspreiden. Christus en Maria zouden ons waarschuwen voor ernstige gevaren die de Kerk, Frankrijk en de wereld bedreigen, maar zij zouden ons ook verzekeren van een vernieuwing die nabij zou zijn, als wij ons zouden bekeren. Zij zouden aandringen op de noodzaak om het Sacrament van boete en verzoening en de Eucharistie te ontvangen, op de praktijk van de naastenliefde en op het belang van het gebed, vooral van het beschouwende rozenkransgebed. Zijn deze verschijningen en boodschappen authentiek? Wat zegt de kerkelijke overheid ervan?
In 1949 werd op de plek van de verschijningen een eenvoudig huisje van glas gebouwd door een vrouw die haar genezing toeschreef aan Onze Lieve Vrouw van Kérizinen. In dat huisje werd een Mariabeeld geplaatst. In 1956 werd een klein oratorium gebouwd om de pelgrims een dak boven hun hoofd te geven. In 1976 werd daaromheen een groot oratorium gebouwd. Sinds 1992 bestaat er ook een dagopvang. Elke dag om 15.00 uur wordt in het Oratorium de rozenkrans gebeden voor de grote intenties van Kerk en wereld en voor de pelgrims, daarmee gevolg gevend aan de oproep die ‘Onze Lieve Vrouw van de allerheiligste Rozenkrans’ op 10 december 1955 zou hebben gedaan. Openbaarmaking van de verschijningen: Pas in 1943 begon Jeanne-Louise Ramonet op aanraden van haar biechtvader de woorden van de boodschappen schriftelijk vast te leggen. Wat betreft de verschijningen van de eerste jaren heeft Jeanne-Louise haar best gedaan om de boodschappen zo volledig mogelijk weer te geven. De boodschappen vanaf 12 mei 1955 zijn doorgaans veel langer en vertonen meer harmonie en een betere opbouw. Jeanne-Louise schreef de boodschappen die ze ontving, soms pas na een paar dagen op, omdat ze niet eerder tijd had. De woorden waren als het ware in haar geest gegrift, zo zei ze. Op 21 juni 1962 zou ‘Jezus’ haar gezegd hebben, dat ze zich niet meer zo hoefde in te spannen om alles te onthouden. Hij zelf zou haar geheugen zijn op het moment dat zij het zou opschrijven. Van 15 september 1938 tot 4 oktober 1947 zijn de beweerde verschijningen geheim gebleven. Over de eerste verschijning heeft zijzelf steeds gezwegen tot aan de tweede verschijning. Haar biechtvader aan wie Jeanne-Louise vanaf de tweede verschijning (7 oktober 1939) haar belevenissen toevertrouwde, had haar bevolen om hierover te blijven zwijgen. Dit viel Jeanne-Louise niet zo zwaar, want van nature was ze toch al terughoudend.
Verschijningen tot 1943: Op 15 september 1938 tegen elf uur in de morgen, terwijl ze bij haar twee koeien was in het veld, zag Jeanne-Louise plotseling een paar meter boven de grond een lichtkogel. In dit stralende gouden licht, dat haar niet verblindde, zag ze een vrouw. Ze was jong, rond 17 jaar oud, tamelijk groot en onuitsprekelijk mooi. Haar ogen hadden dezelfde kleur als haar kleed, een zeer zacht en diep blauw. Haar voeten zag men niet; ze waren door haar kleed bedekt, dat naar onderen toe in een wijde witte vouw viel. Om haar middel droeg ze een dubbele witte gordel. Een witte mantel, die bij de hals met een rechthoekige gouden gesp werd samengehouden, bedekte haar schouders en viel tot onder haar knie. Haar haren waren bedekt door een lichtend witte sluier. Haar ogen waren op de hemel gericht, haar handen hield ze met gekruiste vingers voor haar borst. Aan haar arm hing een witte rozenkrans. Jeanne-Louise schrok van deze verschijning. Zonder het in de gaten te hebben, was Jeanne-Louise op de knieën gevallen. De vrouw zei: “Je zult mij in de komende jaren vaker zien; dan zal ik je zeggen wie ik ben en wat ik wil. Een nieuwe oorlog bedreigt Europa. Ik zal hem enkele maanden uitstellen, want ik kan niet doof blijven voor de vele gebeden die nu vanuit Lourdes tot mij opstijgen en om vrede bidden”. Na deze woorden verdween de vrouw weer. Jeanne-Louise had haar meteen herkend als Onze Lieve Vrouw. Zij zou in het vervolg op dezelfde wijze, in hetzelfde kleed en op dezelfde plaats verschijnen als deze eerste keer. En elke keer werd Jeanne-Louise gedwongen te knielen en viel ze in extase. Opvallend is het dat Jeanne-Louise al bij de 1e verschijning wist dat het Onze Lieve Vrouw was, die haar verscheen. Waarom wist zij dit zo zeker? Schijn kan bedriegen. En waarom zou zij deze ernstige boodschap niet hoeven door te geven? Had zij deze boodschap alleen maar voor zichzelf gekregen? Meer dan een jaar later noteren we de 2e verschijning: 7 oktober 1939. Toen pas zei de verschijning tegen Jeanne-Louise, dat zij deze boodschap aan haar biechtvader moest zeggen, de boodschap van gebed, offer en boete waardoor de oorlog kort gehouden zou kunnen worden en er spoedig weer vrede zou zijn. Bij de 3e verschijning op 7 december 1939 voorspelde de verschijning dat de oorlog tegen midden oktober 1940 zou eindigen, als men aan haar verzoek zou voldoen. Bij de 4e verschijning op 24 december 1939 zou de zieneres een geheim zijn toevertrouwd. Bij de 5e verschijning op 2 april 1940 heette het: “De oorlog zal lang duren en hard zijn, als men geen acht slaat op de boodschappen die ik jullie heb gebracht”. Bij de 6e verschijning in mei 1940 vertrouwde de verschijning haar toe: “Je zult vanwege deze verschijningen veel te lijden hebben”. Bij de 7e verschijning op 7 oktober 1940 stelde de verschijning zich voor: “Ik bende Moeder van Christus, die in jouw parochie zo bemind wordt. Ik wil op deze plaats onder de naam ‘Onze LieveVrouw van de heiligste Rozenkrans’vereerd en aangeroepen worden”. Bij de 8e verschijning op 5 mei 1941 was de mededeling: “Spoedig zal Rusland helpend in de oorlog ingrijpen; dat zal een harde slag zijn voor jullie vijanden”. Bij de 9e verschijning op 2 mei 1943 wordt niets gezegd. Deze (nu zeer kort weergegeven) boodschappenen tijdstippen van de verschijning gedurende deze vijf jaren zou Jeanne-Louise dus allemaal hebben onthouden en in 1943 hebben opgeschreven. Verschijningen 1944-1948:
Bij de 14e verschijning op 7 oktober 1947 en de 15e verschijning op 27 december 1947 sprak de ‘dame’ wederom over het gevaar dat Frankrijk bedreigt. Bij de 16e verschijning op 7 februari 1948 moest Jeanne-Louise van de ‘dame’voor de laatste keer proberen om met haar biechtvader te spreken. Blijkbaar was er het een en ander misgegaan. De biechtvader moest van de‘dame’ ook nog het bewijs leveren van de echtheid van de verschijningen. De ‘dame’ beloofde nogmaals hem de parochie te zullen geven. Bij de 20e verschijning op 30 oktober 1948, dus 10 jaar na het begin van de verschijningen, vroeg Jeanne-Louise aan de ‘dame’ waarom zij in Kérizinen geen wonder doet om haar aanwezigheid te bewijzen. “Waarom wil je de wegen van de goddelijke voorzienigheid doorgronden”, was het antwoord. Vreemd dat hier geen teken gegeven mag worden. In Lourdes en Fatima werd de authenticiteit juist door een zichtbaar teken bevestigd. Dáárin zien wij de goddelijke Voorzienigheid. Voor en na gingen de dreigementen aan het adres van Frankrijk en wereld gewoon door. Maar als men naar de ‘dame’ van Kérizinen zou luisteren, zouden alle wereldproblemen worden opgelost. 1949-1955 - Geen kapel en geen miraculeuze bron: Bij de 23e verschijning op 6 augustus 1949 wenste de ‘dame’ ineens een kapel op die plek en moest Jeanne-Louise de paus op de hoogte stellen van de lichamelijke opname van Maria in de hemel, die ook ‘prompt’ op 1 november 1950 als dogma door de paus werd afgekondigd. Pas na de afkondiging van dit dogma zou deze boodschap in de wereld verspreid mogen worden, want volgens de ‘dame’ mocht je het vrije handelen van de Kerk niet in de weg staan. Wel, zo’n dogma komt echt niet uit de hemel vallen. Zo’n dogma wordt goed voorbereid en is dus op voorhand bekend bij mensen die een beetje op de hoogte zijn. Een erg voorspelbare voorspelling dus. Bij de 24e verschijning op 9 december 1949 gaf de ‘dame’ aan Jeanne-Louise de opdracht om naar de bisschop te gaan om de boodschap over te brengen: Frankrijk zouden rampen bespaard blijven, als de bisschop op deze plek gebeden en bedevaarten zou organiseren en hier een kapel zou oprichten. Na 55 jaar is hier nog steeds geen kapel, wel een oratorium, maar dat voldoet niet aan het verzoek van de ‘dame’. Toch heeft het strafgericht Frankrijk in deze zeer ruime tussentijd niet getroffen. Tegen het einde van 1949 werd op de plek van de verschijningen een eenvoudig huisje van glas gebouwd door een vrouw die haar genezing toeschreef aan Onze Lieve Vrouw van Kérizinen. In dat huisje werd een Mariabeeld geplaatst. Het valt op dat er vanaf die tijd geen verschijningen meer zijn tot 28 maart 1954, dus ruim 4 jaar lang. Wel zou er op 13 juli 1952 dicht bij de plek van de verschijningen een miraculeuze bron zijn ontsprongen die de ‘dame’ op 6 augustus 1949 beloofd zou hebben. In hoeverre we hier kunnen spreken over een miraculeuze bron, is de vraag. Zijn de genezingen medisch onderzocht en onverklaarbaar bevonden? Als dat zo was, zou ons de documentatie daarvan zeker niet onthouden worden. Aangezien nergens naar deze documentatie wordt verwezen, zijn wij gerechtvaardigd om fundamentele twijfels te hebben omtrent deze miraculeuze bron.
1955-1956 - Vereniging en verenging: Bij de 31e verschijning op 12 mei 1955 werd door de ‘dame’ de duivel opgevoerd: “De duivel maakt van zijn boosheid gebruik om de erkenning van mijn verschijningen in Bretagne te verhinderen. Toch zal ik overwinnen”. Bovendien zei ze in deze eerste zeer lange boodschap, dat er geen andere plaats is waar zij haar bovennatuurlijke genaden in zo’n volheid uitdeelt en dat tegen haar ingaan betekent: de enige en laatste hoop voor de wereld vernietigen. Hiermee wordt toch wel een zeer gevaarlijke verenging toegepast op de Kerk. De Kerk is natuurlijk veel ruimer dan Kérizinen en mag hier absoluut niet mee worden geďdentificeerd, integendeel zelfs: wil je katholiek blijven, dan zul je op je hoede moeten zijn voor deze ‘dame’ die dergelijke praat verkoopt. Ook gaf de ‘dame’ bij deze verschijning nadere instructies over de op te richten vereniging "Kinderen van Maria", die pas in maart 1977 zou ontstaan. Natuurlijk is het rozenkransgebed wel heel belangrijk voor de redding van de wereld, zoals de ‘dame’ vaker aangaf, ook bij de 32e verschijning op 1 oktober 1955. Maar daarmee is de andere inhoud van deze boodschappen nog niet goed. Er is sprake van verenging en van misleiding en dwaalleer. Bij dezezelfde verschijning wordt voor de eerste keer melding gemaakt van een toewijding aan het heilig Hart van Jezus en het Onbevlekte Hart van Maria, die in de gezinnen, de landen en de wereld moet plaats vinden, een toewijding ‘aan onze beiden in de heilige Geest verenigde Harten’. Deze vereniging wordt in het vervolg van deze verschijning zo nauw opgevat, dat de ‘dame’ komt tot de uitspraak: “In jullie, in het geheiligde heiligdom van jullie zielen willen wij het fundament voor onze goddelijke heerschappij leggen”. Zal Maria ooit een dergelijke uitspraak doen? Zal Maria niet eerder verwijzen naar haar goddelijke Zoon dan te spreken over ‘onze’ goddelijke heerschappij? Even verder staat aangegeven dat het heilig Hart van Jezus en het Onbevlekte Hart van Maria allebei talrijke wonden droegen. Volledig misplaatst: Maria draagt geen lichamelijke wonden! Bij de 33e verschijning op 10 december 1955 beloofde de ‘dame’ haar zegen aan degenen die zich inzetten voor de verschijningen en deze verdedigen. Ze beklaagde zich over de priesters, die zij hierin te voorzichtig vond. Maant de Kerk ons niet tot voorzichtigheid? Gaat het niet veeleer om de Openbaring zelf? Verraadt de ‘dame’ hier niet wederom haar identiteit? Bij de 34e verschijning op 3 maart 1956 reageerde de ‘dame’ op de oprichting van het kleine oratorium op 5 februari 1956. Met grote vreugde zei ze er bezit van te nemen. Tegelijk ook spoorde zij Jeanne-Louise aan om er bij de kerkelijke overheid op aan te dringen dat hier het heilig Misoffer tot eerherstel gevierd zou worden. 1956-1962 - Gezamenlijke verschijningen, geen zichtbaar teken, wel bisschoppelijk verbod:
Verschijning 38 - 12-1-1957; verschijning 39: 16-2-1957; verschijning 40: 21-11-1957; verschijning 41: 24-5-1958; verschijning 42: 13-10-1958; verschijning 43: 28-4-1959; verschijning 44: 15-12-1959;verschijning 45: 28-5-1960; verschijning 46: 1-10-1960; verschijning 47: 18-2-1961: verschijning 49: 26-4-1961; verschijning 51: 7-10-1961; verschijning 52: 3-3-1962. Bij de 43e verschijning zei het ‘Heilig Hart’: “Mijn genade wil Ik niet alleen uitdelen, maar alleen door haar (RF: de ‘dame’); zij is absoluut noodzakelijk. Zie daarom in mijn moeder mijn door God gewilde aanvulling: jullie medeverlosseres”. In deze uitspraak is sprake van een absolute dwaling. Als de titel ‘medeverlosseres’ zó wordt ingevuld, is deze zeker af te keuren. Het is Jezus die absoluut noodzakelijk is. Maria is degene die naar deze absoluut noodzakelijke Jezus verwijst. Hier zou Jezus de zaak dus compleet omdraaien en verwijzen naar de absoluut noodzakelijke Maria. Hiermee wordt zowel Jezus als Maria groot onrecht gedaan. Bij de 44e verschijning zei de ‘dame’: “Omdat wij zoveel van jullie houden en AVÉ Nieuwsbrief over Actuele Verschijningen maart 2006 jullie heil willen, herhalen wij zo vaak onze verschijning te midden van jullie en begeleiden het met zichtbare tekenen”. Is een klein aantal verschijningen niet al voldoende om deze boodschap door te geven? En op welke zichtbare tekenen zou de ‘dame’ zinspelen? Waarom valt Jeanne-Louise haar hier niet in de rede, zij die al menigmaal heeft gevraagd om een zichtbaar teken? Bij de 47e verschijning sprak de ‘dame’ over profetieën: “Profetieën zijn altijd genaden die jullie de bedreigingen van God verkondigen en jullie vervolgens troosten, omdat zij de uitwerking van de Voorzienigheid beter laten zien”. De ‘dame’ verstaat hier niet alleen de bijbelse profetieën onder, maar ook de profetieën van de huidige tijd. Zij verzuimt een onderscheid te maken tussen valse en ware profetieën en trekt ons daarmee wel op zeer glad ijs. Zou Maria ooit zoiets doen? De 48e verschijning op 25 maart 1961 vond plaats in het huis van de zieneres. De ‘dame’ kwam haar wederom troosten. Want wat was gebeurd? De bisschop had een dag eerder voor de tweede keer een verbod uitgevaardigd. Bij de 49e verschijning noemde de ‘dame’ haar boodschappen openbaringen die beschouwd moeten worden als een “Mariale apocalyps, die helemaal overeenstemt met de geheime openbaring van de heilige Johannes”. Wie de openbaring van Johannes alleen maar oppervlakkig heeft gelezen, ziet al immens grote verschillen. Bij de 50e verschijning op 8 juli 1961 kwam de ‘dame’ weer terug op haar verlangen naar georganiseerde bedevaarten en daartoe de opheffing van het bisschoppelijk verbod, dat volgens haar de oorzaak was van veel tweedracht en God zwaar beledigde. 1962 - Heilig Hart en Eucharistie:
Van donderdag 21 juni 1962 tot en met zaterdag 30 juni 1962 verscheen het ‘Heilig Hart van Jezus’ dagelijks aan Jeanne-Louise (53e tot en met 62e verschijning): “In deze eucharistische week zul je dagelijks mijn woorden opschrijven. Je zult je niet meer hoeven in te spannen, zoals tot nog toe, om ze te onthouden. Ik zal je geheugen zijn om ze op te schrijven”. Ik zou me kunnen voorstellen dat Jeanne-Louise toen bij zichzelf gedacht heeft: ‘Dat had Hij wel eens eerder kunnen zeggen’. Er waren inmiddels bijna 24 jaren verstreken waarin ze met haar eigen geheugen heeft moeten werken. En vanaf dit moment zouden er nog ruim 3 jaren te gaan zijn. Deze boodschappen van ‘Jezus’ gaan doorgaans over de Eucharistie. De boodschap van 29 juni viel wel erg lang uit. Bij de verschijning op 30 juni deed de ‘dame’ ook weer mee. 1963-1965 - Het einde: Na deze serie van tien verschijningen in tien dagen tijd was er ruim 7 maanden geen verschijning. Toen het ‘heilig Hart van Jezus’ en de ‘dame’ op 2 februari 1963 (63) weer verschenen, zei de ‘dame’ onder andere: “Tijdens zijn leven op aarde leefde Jezus als mens in verbinding met God. Daarom sprak Hij ook woorden van leven”. Hier is de christologie wel erg op z’n smalst. Tijdens dezelfde verschijning horen wij uit de mond van ‘Jezus’: “O kon ik maar opnieuw geboren worden om mijn bloedig offer te hernieuwen!” Dit lijkt misschien een mooie uitspraak te zijn. In feite wordt hiermee echter de volmaaktheid van het offer dat Jezus reeds heeft gebracht, ondergraven. Tijdens de 64e verschijning op 26 maart 1963 zei ‘Jezus’: “Ik wens, dat in dit kleine heiligdom - dat zo edelmoedig door oprechte zielen werd opgericht en waar ik zovele tekenen van mijn eucharistische liefde heb gegeven - mijn allerheiligste Sacrament wordt bewaard en H. Missen worden opgedragen en de eerherstellende Communie wordt ontvangen”. Wat zou ‘Jezus’ bedoelen met zovele tekenen van zijn eucharistische liefde in dit kleine oratorium? Geen enkele Eucharistie is er gevierd, geen enkele eucharistische aanbidding is er gehouden. Tijdens de 65e verschijning op 30 maart 1963 hield ‘Jezus’ een hele preek over zijn lijden. Tijdens de 66e verschijning op 24 mei 1963 hield ‘Jezus’ een hele preek ter verdediging van de ‘dame’ en van zijn band met haar. Bij de 67e verschijning op 25 februari 1964 zei de ‘dame’: “Ik ben de weg die naar de Heer leidt”. Is het niet Jezus die de weg is naar de Heer, naar God, naar de Vader? Als hier met de Heer Jezus is bedoeld, zou het goed zijn om dit ook duidelijk aan te geven. Maar dan nog kun je niet zeggen dat Maria DE weg is naar Jezus, wel een goede en veilige weg, maar niet DE weg. De weg naar Jezus hoeft niet noodzakelijk via Maria te lopen. Van de laatste verschijningen: 14-31964 (68); 5-6-1964 (69); 4-12-1964 (70) en 1-10-1965 (71) is bij de allerlaatste verschijning nog op te merken dat de ‘dame’ haar boodschappen beëindigt met te stellen “dat het rozenkransgebed weerstand zal bieden aan de voortschrijdende krachten van de boze die de mensheid bedreigen en zonder oorlogen en revoluties de vredige triomf van mijn Onbevlekte Hart zal bespoedigen, in vrede, in de gerechtigheid en in de liefde van Jezus Christus, mijn Zoon”. Het is niet te geloven. Ineens komt er geen oorlog meer, terwijl de ‘dame’ (en ‘Jezus’ vanaf 1956) daar van 1947 tot 1960 juist voortdurend voor heeft gewaarschuwd. Dat zou de straf zijn voor de weigering om naar haar boodschappen te luisteren. Van 1960-1965 echter raakt in de boodschappen een oorlog steeds meer uit het zicht, terwijl er nog steeds niet geluisterd wordt naar de boodschappen van de ‘dame’ van Kérizinen. En blijkbaar is het inzicht van de ‘dame’ in 1965 compleet veranderd, aangezien ze dan durft te stellen dat de overwinning van haar ‘Onbevlekte Hart’ zal komen zonder oorlog of revolutie. Wie kan deze ‘dame’ zijn die gezien deze volledig tegengestelde beweringen absoluut niet te vertrouwen is? Kunnen wij christenen geloven dat de eindoverwinning zonder pijn of strijd zal worden behaald? De vrede heeft zijn prijs. En deze is zeer duur betaald door Jezus Christus, de Zoon van God. De kerkelijke overheid:
3.A. Documentation Catholique no. 1634 van 17/6/1973 blz 593: In "la Semaine religieuse de Quimper et de Léon" van 20 mei laat Mgr Francis Barbu, bischop van Quimper en Léon, de volgende waarschuwing uitgaan: "Aangezien de aankondiging in de pers van "bedevaarten naar Kérizinen" tot verwarring kan leiden, wil de bisschop van Quimper en Léon er gaarne aan herinneren -zoals hij het iedereen heeft laten weten die hem hierover heeft ondervraagd - dat hij steeds de beslissingen van zijn voorganger tot de zijne heeft gemaakt. - Verbiedend aan priesters en mannelijke en vrouwelijke religieuzen om naar Kérizinen te gaan of om wie dan ook aan te raden er naar toe te gaan, - Uitdrukkelijk afkeurend elke vorm van devotie en verering in deze plaats.” En de bisschop citeert de waarschuwing van zijn voorganger van 12 oktober 1956 die nader omschrijft: “Het gebouw dat zich daar bevindt (in Kérizinen, in Plouvénez-Lochrist) is gebouwd ondanks ons uitdrukkelijk schriftelijk verbod. Geen enkele priester heeft van ons de bevoegdheid ontvangen om dit gebouw in te zegenen...” AVÉ Nieuwsbrief over Actuele Verschijningen maart 2006 “Het aftreden van een bisschop”, zo gaat Mgr Barbu verder, “doet niets af aan de verordeningen die hij heeft laten uitgaan ten bate van zijn bisdom. De nieuwe bisschop maakt de verordeningen van zijn voorganger tot de zijne en vraagt dat men zich eraan houdt”; 3.B. Documentation Catholique no. 1682 van 7-21/9/1975 blz 779: Het Bisdomblad van Quimper en Léon (26 juli 1975) heeft de documenten gepubliceerd omtrent “verschijningen” in Kérizinen (Plouvénez-Lochrist, Nord-Finistčre) die wij hieronder opnieuw afdrukken. De Congregatie voor de Geloofsleer stemt in met de conclusies van de bisschop van Quimper over de "Gebeurtenissen van Kérizinen". Op 2 juli 1975 heeft de bisschop van Quimper de volgende brief ontvangen, ondertekend door de kardinaal-prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, waarvan hij het goed acht de christenen van zijn bisdom in kennis te stellen: Heilige Congregatie voor de Geloofsleer Rome, 21 juni 1975. Prot. N. 259/71 Excellentie, De Congregatie voor de Geloofsleer heeft met aandacht het rapport over de "gebeurtenissen van Kérizinen" bestudeerd, dat u op haar verzoek heeft willen opstellen en haar hebt willen opsturen de 27e februari 1975. Naar aanleiding van dit rapport kan dit Decasterium slechts loven en goedkeuren de prudentie en de wijze beslissingen van uwe Excellentie. Het twijfelt er niet aan dat u deze kwestie in de toekomst met dezelfde oplettende waakzaamheid zult volgen en in dezelfde geest de voor dat moment nodige beslissingen zult nemen, die, zoals u weet, in deze kwestie behoren tot uw bisschoppelijke competentie. Wil aannemen, Excellentie, de uitdrukking van mijn religieuze gevoelens en respectvolle toewijding in de Heer. Getekend : Franc. card. Seper, pref. Aan zijne Excellentie Mgr Francis Barbu, bisschop van Quimper en Léon. Waarom deze Romeinse interventie? Zoals Kardinaal Seper in zijn brief naar voren brengt, komt het aan de bisschop toe om een oordeel uit te spreken over de voorgewende bovennatuurlijke feiten die in zijn bisdom plaatsvinden zoals het hem toekomt te waken over het getrouw onderhouden van de canonieke voorschriften met betrekking tot de goddelijke eredienst (can 1261). Krachtens deze verantwoordelijkheid die hen toekomt hebben Mgr Fauvel, twee keer, de 12e oktober 1956 en de 24e maart 1961, vervolgens Mgr Barbu, de 20e mei 1973, elke vorm van devotie of verering in Kérizinen verboden en in het bijzonder aan priesters, mannelijke en vrouwelijke religieuzen gevraagd om niet naar deze plek te gaan. Er zijn mensen geweest die deze beslissingen hebben aangevochten en zich hebben beroepen op een hogere autoriteit. De prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer schreef inderdaad aan Mgr Barbu, op 28 maart 1974: “De Congregatie voor de Geloofsleer is onlangs en herhaaldelijk geraadpleegd naar aanleiding van de veronderstelde verschijningen van de H. Maagd aan één van de gelovigen in uw bisdom..." Vandaar de vraag van de kardinaalprefect: "Aangezien ons Decasterium niet voorzien is van nauwkeurige en objectieve informatie over dit onderwerp, sta ik me toe me te wenden tot uwe Excellentie. Zou u zo goed willen zijn om ons een nota te doen toekomen met betrekking tot de "feiten van Kérizinen", en ons ook in kennis te stellen van uw persoonlijke mening en de maatregelen die u eventueel genoopt hebt kunnen zijn te nemen. Door deze inlichtingen zal de Congregatie haar houding met de grootste prudentie kunnen vaststellen.” Als antwoord op dit verzoek heeft de bisschop van Quimper met de hulp van exegeten en theologen een tamelijk uitgebreid rapport opgesteld, vergezeld van een belangrijk dossier met bewijsstukken. Op 27 februari 1975 is dit rapport overgedragen aan de Congregatie. Het is met des te meer zorg bestudeerd, omdat ondertussen een ander dossier, opgesteld door voorstanders van de verschijningen, was aangeboden aan het Staatssecretariaat en door deze doorgestuurd naar dezelfde Congregatie. Nieuwe bisschoppelijke waarschuwing tegen "KERIZINEN" Afgelopen maart heeft de vereniging van Vrienden van Kérizinen middels de pers aangekondigd “spoedig een kapel van 1200 m˛" te willen bouwen en is een uitgebreide propaganda-campagne opgezet om de benodigde gelden te verzamelen om dit project ten goede te leiden. Ik heb niet opnieuw tussenbeide willen komen alvorens van Rome het antwoord te hebben ontvangen op het rapport dat ik had opgestuurd naar de Congregatie voor de Geloofsleer. Dit antwoord stemt volledig in met de houding van Mgr Fauvel en van mij en legt deze kwestie bij mijn eigen bisschoppelijke competentie. Zij nodigt me ook uit om deze kwestie met dezelfde waakzaamheid te volgen en in dezelfde geest de maatregelen te nemen die nodig zijn. Daarom meen ik dat het mijn plicht is om opnieuw in te grijpen en nauwkeurig het standpunt van de verantwoordelijke bisschop te omschrijven - met betrekking tot de voorgewende verschijningen van Kérizinen; - met betrekking tot de kapel die men wil bouwen; - met betrekking tot de boodschappen die men er verspreidt; - en met betrekking tot de verering die men er wil invoeren: 1. Zoals ik al heb gedaan in mijn communiqué van 20 mei 1973, hiermee overnemend het standpunt van mijn voorganger, verwerp ik uitdrukkelijk elke vorm van devotie of verering op deze plaats. De priesters en de mannelijke en vrouwelijke religieuzen in het bijzonder is het verboden er naar toe te gaan of anderen aan te raden om er naar toe te gaan. 2. Ik spreek mijn meest scherpe weerstand uit tegen de bouw op deze plek van het geplande gebouw, hoe men het ook noemt (kapel, oratorium, abri). 3. Ik waarschuw de gelovigen tegen de voorgewende "Boodschappen van het heilig Hart en van de heilige Maagd" die in deze plaats worden verspreid. Zij zijn niet van dien aard dat ze een sterke en authentieke Mariaverering bevorderen waarvan Paus Paulus VI de vereisten in zijn apostolische brief van 2 februari 1974 heeft vastgelegd. A Quimper, 12 juli 1975. † Francis BARBU, bisschop van Quimper en Léon.
Dwalingen en dubbelzinnighedenvan de “boodschappen”
Deze ‘boodschappen’ die worden voorgesteld als directe openbaringen van het
heilig Hart of van de heilige Maagd en eenvoudig en trouw zijn
overgeschreven door haar die ze heeft ontvangen, moeten met de grootst
mogelijke leerstellige en pastorale strengheid beoordeeld worden. Wanneer
men deze met zorg bestudeert en rekening houdt met de literaire genres in
dit werk en die zijn geëvoleerd in de loop van 27 jaren die de laatste
boodschap (1 oktober 1965) van de eerste boodschap (15 september 1938)
scheiden, dan beantwoorden deze klaarblijkelijk niet aan de vereisten die
door Paulus VI in herinnering zijn geroepen en zijn bijgevolg de devotie die
op deze plaats wordt beoefend en de verering die men er wil invoeren, niet
in overeenstemming met het katholieke geloof en mogen zij niet worden
begunstigd door de verantwoordelijken in de Kerk. We kunnen hier niet de
uitgebreide studie gaan opvoeren die ter beoordeling aan de Congregatie voor
de Geloofsleer is voorgelegd, maar we zullen de belangrijkste punten
onderstrepen die aangehaald worden in de conclusie van deze studie:1. De voorgewende hemelse boodschappen van Kérizinen, gegeven als directe openbaringen van het heilig Hart of van de heilige Maagd, verwijzen alleen naar zichzelf en naar de devotionele praktijken die zij willen invoeren. Daardoor leiden ze af van het Evangelie en van de authentieke openbaring zoals zij opnieuw is gedefinieerd door de dogmatische Constitutie van het Tweede Vaticaans Concilie over de “Goddelijke Openbaring”. 2. Deze boodschappen centreren elke hoop tot heil op Kérizinen en zijn heiligdom (meer dan 25 verwijzingen in deze zin), want alleen door de instelling van de verering van deze plek zal het heil worden verleend aan de wereld. Daardoor leiden zij de mensen af van de Kerk, die alleen door Christus authentiek gemandateerd is, zoals de Constitutie van het Concilie over de Kerk het uitdrukt: “De enige Middelaar, Christus, heeft zijn heilige Kerk, gemeenschap van geloof, hoop en liefde, in deze wereld opgericht als een zichtbare instelling die Hij voortdurend ondersteunt en waardoor Hij aan allen genade en waarheid meedeelt” (nr. 8). 3. Deze voorgewende boodschappen ontwikkelen een verdachte eschatologie (vooral in het tweede deel: 1955 - maart 1962): zij verbinden het verkrijgen van het heil met devoties, die op zich absoluut vrijblijvend zijn, zij prijzen een theologie aan op basis van verbeelding en sentiment en een individualistische en zweverige spiritualiteit (vooral in het derde deel: juni 1962- einde). Daardoor leiden ze de aandacht van de christenen af van de echte wereldproblemen en van het engagement in het dagelijkse leven. Ze gaan dus tegen de aanbevelingen van het Concilie in ... 4. De voorstelling van een God als meedogenloze rechter en afschrikwekkende wreker (tweede deel) en van een huilende en sentimentele Christus (derde deel) vertroebelt de authentieke openbaring van de God en Vader van Jezus Christus onze Heer, zoals wij die kennen door het Evangelie en het hele Nieuwe Testament. En dat, tot het grootste ongeluk van gelovigen en ongelovigen. 5.
De overwaardering van de zending en rol van de heilige Maagd, die nu
eens de plaats van haar Zoon inneemt om een nieuwe openbaring af te
kondigen, dan weer de tekortkomingen van de heilige Geest aanvult, dan weer
aan zichzelf alleen de zending van de Kerk toekent, vertroebelt het geheel
van haar evangelische beeld, een zware tekortkoming waarvoor de heilige
Vader ons waarschuwt. Ongetwijfeld kan men hier of daar een bewering of zin
vinden die zouden vragen om wat meer nuances, maar dit hier is het diepere
geheel van deze voorgewende boodschappen. Als het alleen maar het verhaal
was van een spirituele ervaring van een toegewijde christin van Léon,
toegewijd aan de heilige Maagd, zou men de benaderingen van taal wel kunnen
verdragen, maar als het gebracht wordt als directe openbaringen van het
heilig Hart of van de heilige Maagd, kan men deze niet accepteren, vanwege
de dwalingen en dubbelzinnigheden die leiden tot het vervalsen van de leer
en tot het verduisteren van de persoon en zending van Maria. Zij die deze
boodschappen uitdragen en zich inzetten om de verering die daarop gebaseerd
is te bevorderen, doen dat misschien te goeder trouw, en dan zijn zij te
verontschuldigen, maar dit is een rampzalig werk temidden van het volk van
God. De recente apostolische exhortatie van de Paus over de Mariaverering
brengt de verantwoordelijke herders de noodzaak in herinnering van een
voortdurende waakzaamheid, zowel leerstellig als pastoraal, die zich niet
tevreden mag stellen met goede bedoelingen. Het bidden van de Rozenkrans is
zeker een aanbevolen en aanbevelenswaardige praktijk, maar in een context
als die van Kérizinen begunstigt zij niet de voortgang van het geloof. Het
christelijk geloof is niet sentimenteel van aard. Zij is het ontvangen van
Jezus Christus, van zijn Evangelie, van zijn Kerk. Naar het voorbeeld van de
heilige Maagd zelf die ons in het Evangelie slechts één raad heeft gegeven,
deze die zij gaf aan de bedienden van Kana: “Doet maar wat Hij u zeggen
zal”. Konden zij die zijn afgedwaald door deze voorgewende openbaringen,
maar hun ogen openen voor de enige waarheid van Jezus Christus, die de
heilige Maagd niet aan de kant zet maar op de juiste plaats, in plaats van
zich op te sluiten in een ghetto zonder opening of zonder uitgang. En dat ze
nadenken over deze sterke woorden van de heilige Johannes van het Kruis, een
authentieke mysticus, meer nog een Kerkleraar: "Door ons zijn Zoon te geven,
zoals Hij het heeft gedaan, Hem die is zijn laatste en definitieve Woord,
heeft God ons alles gezegd en in één keer, en heeft Hij ons niets meer te
zeggen. Het is de leer van de heilige Paulus aan de Hebreeën... Besluiten
wij dan met te zeggen dat als wij onder de Nieuwe Wet verlangen naar
visioenen en openbaringen, wij niet alleen een dwaasheid begaan, maar ook
God beledigen, omdat wij daardoor onze ogen niet slechts op Christus hebben
gevestigd, maar iets nieuws zoeken...” (De bestijging van de Carmel, II,20).
† F. BARBU, Ev Belangrijke data van Kerizinen
De verschijningen zijn niet goedgekeurd door de Heilige Stoel in Rome.
Visitors: |