|
Mariaverschijningen in
1949 - 1952
Ten zuiden van de stad, en misschien 10 minuten daar vandaan, liggen aan de weg naar Stockheim twee kapellen. De kleinste is de oudste en ligt langs de weg. Zij is versierd met een voorstelling van de doodstrijd in de Hof van Olijven. De nieuwste is veel groter, maar werd in de oorlog zeer zwaar beschadigd, zodat alleen de buitenmuren nog overeind stonden. In deze kapel bevond zich vroeger een mooie, oude beeltenis van de "Consolata Afflictorum"(Troosteres van de Bedroefden), die gered werd en nu in de oude kapel werd geplaatst. Ondanks het feit dat de beeltenis bijna vier maanden lang in de verwoeste kapel gelegen had in het puin, in weer en wind, bleef zij merkwaardigerwijs geheel onbeschadigd. Eerst in de verwoeste, grotere kapel en later in de oude kapel verscheen vanaf 1 mei 1949 de Moeder Gods aan de toen 44-jarige ongehuwde Gertrud Fink, van beroep naaister. Gertrud Fink werd geboren op 1 februari 1905. De verschijningen vonden in deze twee kapellen plaats. In een later stadium vonden de verschijningen ook bij de zieneres thuis plaats. Ook waren er verschijningen in de kerk van de Heilige Jozef te Diiren en in de kapel van een zusterklooster aldaar. Eenmaal vond een verschijning plaats in de Dom van Keulen. Dat gebeurde tijdens de plechtigheden van een priesterwijding. Hieronder volgt het door Gertrud Fink vertelde relaas: 1 mei 1949
Op de eerste mei werd ik door een bijna
bovenmenselijke kracht naar het Mariakapelletje getrokken. Het was overigens ook
wel gebruikelijk om in de meimaand daar aan Maria vaak een bezoek te brengen. ‘s
Morgens om half zes betrad ik de verwoeste kapel om er te bidden en om Maria een
ochtendgroet te brengen. Ook bad ik om vrede voor de mensheid. Toen zag ik aan
de linkerkant plotseling een mooie Vrouw staan. Ik had het gevoel alsof er iets
wat vol barmhartigheid was, op me af kwam en me helemaal in bezit nam. En deze
Vrouw sprak tot mij: “Kom op negen Priesterzaterdagen naar
deze kapel. Bid voor de priesters en de bevolking. Ik kom terug". Na deze woorden kreeg ik een gevoel, dat ik niet beschrijven kan. Ik voelde me
helemaal tot deze Vrouw aangetrokken. Dit gevoel liet mij niet meer los, Ik bad
toen nog enkele weesgegroeten om weer helemaal tot mezelf te komen. Met een
innig gebed van dank ging ik daarop naar huis. Om acht uur ging ik naar de
heilige Mis, maar steeds waren mijn gedachten bij deze mooie Vrouw. Haar lange,
witte kleed, brede gouden ceintuur, blauwe mantel en witte sluier: dit beeld
kwam mij steeds weer voor ogen. Ik voelde dat ik Haar toebehoorde en voortdurend
ging een diep verlangen naar Haar door mijn hart heen. Ik verlangde hevig naar
de eerste Priesterzaterdag, waarop ik Haar zou mogen terugzien. Zij was zo jong,
zo lieftallig, zo vol reinheid en liefde. Ik kan niet precies weergeven, hoe
mijn ziel dit voelde. 's Morgens om zes uur ging ik weer naar de kapel, zoals Zij het gevraagd had. Haar woorden van de eerste verschijning waren mij voortdurend door de ziel gegaan. Ik wist echter niet, wat Zij eigenlijk wilde. Stil bad ik in de kapel. Ik kreeg een soort voorgevoel. Iets trok mij met geweld aan. Geen macht op aarde had dit voorgevoel bij mij kunnen wegnemen, zelfs de dood niet. Plotseling zag ik aan de linkerzijde van het altaar een hel licht. Dit licht scheen zich te openen en de mooie Vrouw stond daar. Over Haar gezicht speelde een tedere glimlach, Zij knikte mij toe en zei: “Wil je mij de losprijs voor de zielen van de priesters schenken? Kom 's morgens en ‘s avonds hier bidden. Kom op 12 mei 's avonds hier en Ik zeg je, wie Ik ben.” Ik kan niet beschrijven, wat er na deze woorden in mijn ziel omging. Ik voelde een grote onwaardigheid in mij. Ik voelde het zondige in mij, het armzalige niets. Moge God mij toch Zijn genade geven, opdat ik alles zal kunnen doen wat van mij gevraagd wordt. Een bijzondere kracht vervulde mijn ziel. Deze kracht was het, die mij dwong aan de mooie Vrouw bekend te maken, dat ik dit alles wilde doen. Zoals een kind tot zijn Moeder, zo voelde ik mij tot Haar aangetrokken. Een heel bijzonder gevoel van geluk stroomde door mij heen. Van de wereld om mij heen en van de omstanders bemerkte ik niets. Alles was van mij afgevallen. In mij leefde alleen de bede: "Geef mij de kracht om Uw wens getrouw te vervullen". Het was juist, alsof Zij mij iets gegeven had, iets heel aparts, wat ik met mijn hele wezen verdedigen moet. Opmerkelijk was, dat de mooie Vrouwe Haar mantel aan de voorkant dichthield, alsof Zij iets geheimzinnigs verbergen wilde. Het is een groot geluk voor mij, dat ik mag doen, wat Zij van mij verlangt. Met een glimlach, waartegen geen mens weerstand zou kunnen bieden, ging Zij langzaam omhoog; een groet en Zij was verdwenen. De werkelijkheid van mijn omgeving kwam terug en, overeenkomstig Haar opdracht, bad ik voor priesters en volk. 12 mei 1949 De dagen van het stille gebed vlogen om en weer verlangde mijn ziel hevig naar deze mooie Vrouw. De l2e mei kwam, de dag waarop Zij mij bij Zich ontboden had. Nu zou ik vernemen, wie Zij was. Het was half negen ‘s avonds. Niemand was in de kapel. Met mijn Moeder, die nergens enig vermoeden van had, zat ik te bidden voor de genadevolle beeltenis. En ineens stond de mooie Vrouw weer aan de linkerkant van het altaar, ongeveer een halve meter boven de grond. Onder Haar voeten bevond zich een witte wolk. Ik zag Haar blote voeten. Een lang wit kleed, dat met een brede gouden gordel werd samengehouden, hing tot op Haar voeten naar beneden. Een bepaald iets, een heel bijzondere lieflijkheid, stroomde van Haar uit. Mijn hart kon het nauwelijks bevatten. Ik wilde bidden, maar het lukte mij nauwelijks. In mij was alléén een aanschouwen, een zich weggeven. Plotseling straalde Zij in een wonderbare lichtglans. Toen spreidde Zij Haar blauwe mantel uit, hield Haar handen naar de aarde gericht en zei toen: "Ecce Ancilla Domini” (Zie de Dienstmaagd des Heren) Bij deze woorden overviel mij een diepe eerbied. Ik fluisterde Haar deze woorden na. Ik wist niet, wat zij betekenden. Toen boog Zij zich over mij heen en zei: “Kind, iets verschrikkelijks zal over de volkeren komen. Bid, bid, bid!” Daarop verdween Zij. Mijn ziel en geheel mijn innerlijk gingen op in hetgeen ik gezien had en ik zonk omlaag in de bodemloze diepte van de glans van deze schoonheid, welke mij niet meer verliet. Voor niets van wat werelds is, is nog ruimte in mij. 4 juni 1949 Toen 's morgens om half zes het Angelus klonk, was ik in de kapel. Na een kort gebed zag ik aan de linkerzijde van het altaar de helle lichtschijn weer voor mij. De lichtglans verdeelde zich en Zij verscheen, de “Ecce Ancilla Domini”. Zij hield Haar mantel uitgespreid en het witte kleed werd zichtbaar. Het hing in brede plooien tot op de voeten af. Het viel mij op, dat Haar gezicht een zeer treurige uitdrukking vertoonde. Ik durfde naar de oorzaak van deze droevige gelaatsuitdrukking niet te vragen, want ik was bang, iets verkeerds gedaan te hebben. Zij echter raadde mijn gedachten en sprak de woorden: “Als het licht van het verderf uit het Oosten in het Heilig Jaar tegen het licht uit het Westen ingaat, en het volk zich niet wil verbeteren, zal Mijn Zoon het Teken plaatsen. De zon zal gaan draaien. Een ster zal het teken belagen maar het Teken zal de ster verslaan. Vraag de priesters deze kapel in orde te maken. Ik verlang het. Het dient een Johannes-kapel te worden. De kapel dient aan de lievelings-apostel toegewijd te worden, die met Mij onder het Kruis stond". Zij keek mij vragend aan, of ik alles wel goed verstaan had. Ik vroeg Haar om de genade, alles goed te onthouden, wat Zij tegen mij gezegd had. Toen zegende Zij mij vol liefde en voelde ik, dat Zij mij nooit verlaten zou. Bij de zegen vertoonden Haar gelaatstrekken een soort hemelse glimlach, doch die gingen daarop weer in droefheid over. Toen verdween Zij. Een poosje bad ik nog voor ons allen, vooral echter voor de priesters, die onder de vervolging moeten lijden. Met een bedrukt hart verliet ik het genadeoord, voortdurend in een stil gebed verzonken, maar vast besloten, mijn leven steeds aan Jezus en aan Maria te wijden en niet te vergeten: "De losprijs voor de zielen van de priesters". 2 juli 1949 Op deze Priesterzaterdag was Zij niet meer zo treurig, toen Zij 's morgens om zes uur in de kapel verscheen. Eerst was er het helle licht en daarin verscheen Zij dan in al Haar beminnelijke lieftalligheid. Een hemelse glimlach sierde Haar gelaat, als in oneindigheid ondergedompeld. Haar mantel hield Zij aan de voorzijde open en ik zag het witte kleed, dat ik zo mooi vond. Zij vouwde Haar handen, keek mij aan en sprak: “Maak je gebed nog krachtiger. Zeg tegen de priesters, dat zij bidden voor de wereld, die zich van God vervreemdt". Zij schonk mij een blik van onuitsprekelijke mildheid en goedheid. Het was, alsof Zij alles met Haar hart vol liefde tot Zich wilde trekken. En ik beloofde Haar, vol te houden met bidden en alles te doen, wat Haar hart een genoegen doet en op die manier Jezus te verheerlijken. Toen onttrok Zij zich aan mijn blikken en was ik weer alleen. Slechts een onstilbaar verlangen bleef in mij achter. Ik zou Haar nooit willen verliezen, hoe moeilijk alles ook zou worden. Door Maria tot Jezus. 6 augustus 1949
Om zes uur 's morgens was ik in de kapel. De verschijning kwam als gewoonlijk.
Zij breidde Haar handen uit en daaruit stroomde een licht naar de aarde toe. Het
drong door mijn hele ziel en tot diep in het binnenste. Het scheen mij toe, dat
het was, alsof Zij op een brug stond. Een geheim werd mij toevertrouwd en Zij
vroeg mij daarover nooit met iemand te spreken en het eerst dán aan de Kerk
bekend te maken, als een priester mij daartoe zou uitnodigen. Dan moet ik het
doen uit gehoorzaamheid aan de Kerk.
Voor mijn ogen zag ik een wereldbol en daaroverheen breidde Zij Haar handen uit.
Met een Moederlijke liefde en met uitgestrekte armen smekende, vraagt Zij om de
vrede, maar de mensen willen niet. Ik sta machteloos tegenover dit tafereel, als
een kind dat alles wat er met hem gebeurt niet begrijpt. Het licht dat uit Haar
handen 3 september 1949
Een innerlijk gevoel dreef me al ‘s morgens om half zes naar de kapel. Ik
verlangde hevig naar mijn Moeder, want, ik had Haar immers veel te zeggen en
Haar zoveel verzoeken over te brengen voor de priesters en voor het volk. Vaak
was ik avonden lang en tot in de nacht neergeknield op de plaats, waar Zij mij
in Haar volle schoonheid was verschenen en mij zoveel dingen gezegd had. Mijn
hart was vol verwachting en zo hevig verlangde ik naar Haar, dat het was alsof
ik helemaal uit elkaar zou vliegen. 1 oktober 1949 De Rozenkransmaand begint. Het mooiste en meest stichtende gebed dat een ziel kan bidden om alles te verkrijgen, is immers de Rozenkrans. Ik knielde in de kapel. In de verte hoorde ik het Angelus luiden. Ik bad dit gebed in stilte. De verschijning van Moeder Maria liet niet lang op zich wachten. Ik voelde Haar liefde die me tegemoet stroomde. Ik was aan de wereld ontrukt. Toen toonde Zij mij een donkere weg en aan het einde daarvan stond een helder stralend Kruis. Zij sprak: “In deze wereld zult u geen troost meer vinden, eerst in de andere wereld. Je verblijf hier zal niet lang meer duren.” Toen liet Zij mij uit een schaal iets drinken wat heel erg bitter was. Daarop voelde ik een diepe, innige verbondenheid met Haar. Ik voelde in mijn ledematen iets wat op een getekend-zijn leek, wat ik niet beschrijven kan. Zij bad langzaam het Weesgegroet. Het gebed smolt in mij samen met een diep schouwen in Haar. Ik bemerkte, dat ik met lichaam en ziel Haar toebehoor. Daarop verdween de lieflijke verschijning. De bittere drank is voor mij onverklaarbaar en onbegrijpelijk. Iets bijzonders was er in mijn ziel. Groot was de wens in mij, Haar voortdurend te aanschouwen in Haar beminnelijkheid. Met een groot verlangen naar Haar ben ik daarop naar huis gegaan. 5 november 1949
's Morgens om zes uur mocht ik mijn hemelse Moeder weer in de kapel aanschouwen.
Toen ik voor Haar neerknielde, kwam in mijn geweten de vraag naar boven, of ik
ook trouw mijn belofte had gehouden, die ik aan de Moeder gedaan had. Heb ik
genoeg gebeden voor de bekering van de zondaars; heb ik genoeg boete gedaan? 3 december 1949 Ook op deze dag verscheen de Lieve Moeder Gods zoals gewoonlijk. In diepe ontroering knielde ik voor Haar neer en wachtte op de woorden die Zij mij te zeggen had. Zij sprak: “Bid, bid, bid! Doe boete! De Kerk zal vervolgd worden. Ik heb u dit al verkondigd. Velen zullen gemarteld worden omwille van het geloof. Wie het licht van het verderf uit het Oosten niet herkent, zal in de verschrikkelijkste dwaalleer terecht komen, die de mensheid gezien heeft. Men zal brandende fakkels werpen op de Plaatsbekleder van Christus. Hij zal veel te lijden hebben. Ik ben immers gekomen, om de mensheid voor het laagland te waarschuwen. Luister naar de stem van uw Moeder. Tenslotte zal mijn liefde toch overwinnen en door een stroom ven genade zullen velen gered worden. Door het kostbaar Bloed van Mijn Zoon bid Ik dringend om vergeving van de boosheden en om de redding van de wereld. Daarom kom Ik als Dienstmaagd van de Heer.” Daarop nodigde Zij mij uit, op de avond van de achtste december hier weer terug te komen. Haar gestalte verhief zich omhoog en verdween. Stil en innig bad ik nog enige tijd en ik liet de woorden van de Lieve Moeder van God nog eens door mijn hoofd gaan. Uit alles bemerkte ik Haar grote liefde voor de mensen en hoe Zij de mensen nog op het laatste ogenblik wil redden. Gedachten over hoe ik, armzalig mens, de Moeder Gods zou kunnen helpen, gingen door mijn ziel heen. Ik weet echter: Zij staat mij terzijde en niets kan mij van mijn stuk brengen. Ik vertrouw Haar onvoorwaardelijk. 8 december 1949
Het was een natte dag met veel regen. ‘s Avonds zou ik de Lieve Moeder van
God terugzien. De hele dag was ik vol van een spannend verlangen. Mijn hart
dreef mij alleen maar naar Haar. Na het Heilig Misoffer in de Sint Jozefkerk
verlangde mijn ziel naar de kleine kapel, naar de gewijde plaats, waar ik Haar,
de Hemelse Moeder, zou mogen zien. Dáár overviel mij een gevoel van mijn grote
ellende, omdat mijn arme ziel immers over zoveel stenen gestruikeld is en ik
daardoor de Lieve Heiland pijn heb gedaan. Maar de liefde van de Heer heeft mij
toch Zijn Heilige Moeder laten zien. ‘s Avonds na achten begaf ik mij naar de
kapel. Voor de beeltenis van de Moeder Gods brandden vele kaarsen. Een plechtige
stilte omgaf de mensen die daar baden. Men bad de Rozenkrans. Plotseling stond
de beeltenis in een helle lichtglans. Stralen gingen van de beeltenis uit, opzij
en naar boven, maar niet naar beneden. De stralen waren ongeveer een halve meter
lang. Na enige minuten trokken de stralen zich terug; de lichtglans verdween en
het leek wel of de beeltenis was verdwenen. En daar stond Zij weer, opnieuw aan
de linkerzijde van het altaar. Haar gezicht stond zeer droevig, met de uitroep:
"Maria!" ging ik de bank uit en knielde ik aan de
rechterkant neer, met mijn gezicht naar Haar toe. Haar gevouwen handen gingen
plotseling uit elkaar en op Haar uitgespreide handen hield Zij een Kruis (het
was ongeveer 1½ meter groot en de balken waren 4 vingers breed). Zij legde mij
het Kruis op de linkerschouder en zei: 24 december 1949 De laatste dag vóór Kerstmis. ‘s Avonds zou ik de Hemelse Moeder terugzien. De hele dag verlangde ik naar Haar. Ik wenste dat het al avond was. Toen ik 's avonds in de kapel kwam, waren daar al veel mensen aan het bidden. Mijn eerste gedachte was: Moeder, zegen hen allen. Nadat wij allemaal misschien een kwartier hadden gebeden, verscheen aan de linkerkant eerst weer het helle licht. Dit verdween daarop geleidelijk en Zij stond er weer in al Haar glorie en lieflijkheid. Met de uitroep “Maria” ben ik naar de rechterzijde gegaan en knielde voor Haar neer. Zij keek in de verte en sprak: “Zo is het goed, kind. Laat veel mensen komen, opdat Ik hen genezen en zegenen kan en hen kracht kan geven naar de maat van hun vertrouwen”. 0, wat was ik blij met deze boodschap. Kon ik maar echt véél mensen hier naar toe roepen om hulde te brengen aan hun Moeder. Dit was mijn diepste wens op dit ogenblik. Haar prachtige kleed met veel plooien, dat tot op Haar voeten reikte, glansde in een heel bijzonder licht. Ik dacht er over of alle mensenwel zouden geloven als zij dit moois eens zouden zien. Ik vroeg moeder Maria verlof het te mogeh zeggen, opdat veel mensen deelgenoot zouden worden in de grote en mooie gebeurtenis. Daarop zei Zij: “Het zal nog zware offers kosten, maar schenk alles aan Mijn Moederhart. De weg is nog lang”. Daarop spreidde Zij Haar armen uit en zegende alle mensen die aan het bidden waren. Daarop verdween Zij. Toen de gelovigen bemerkten, dat ik niet meer gespannen was, vroegen zij mij naar alles. Ik heb hen toen ook de woorden van de Moeder Gods verteld, Vol vreugde baden zij toen nog gebeden van dank. Och, als alle mensen zo weren! Doordat het gebeuren van de vorige keer, enige dagen geleden, bekend was geworden, waren ook andersdenkenden daarvan op de hoogte, die zich dingen veroorloofden die zeer slecht en lelijk waren. Ik kan daarover hier niet spreken. Moge de Lieve God hen alles vergeven. Om dit verhaal niet eindeloos lang te maken, volsta ik hieronder met de vermelding, dat de heilige Moeder Maria hierna t/m 6 januari 1952 nog tientallen malen aan Gertrud Fink verscheen. Na 6 januari 1952 konden er geen verdere notities meer gemaakt worden, aangezien de bekendmaking daarvan door Haar biechtvader verboden werd. Als bijzonderheid zij nog te vermelden, dat de laatste verschijning op dezelfde dag, op hetzelfde uur en met dezelfde woorden plaats vond als in Heroldsbach (31 oktober 1952 ‘s nachts om 24.00 uur).
De zieneres moest vanwege een ernstige
maagziekte in het ziekenhuis van Düren worden opgenomen, waar zij op 3 septemher
1958 geopereerd werd. In de nacht, volgende op de operatie, trad een verzwakking
van het hart in en op 4 september 1958 ‘s morgens stierf zij heel stil en
rustig.
- Stichting Marypages -
|