|
Don
Giovanni Bosco

1815 - 1888
Ook bekend als: Don Bosco;
Johannes Bosco; John Bosco; Giovanni Bosco; Giovanni Melchior Bosco; John
Melchoir Bosco
Feestdag: 31 januari
Zijn jeugd:
Giovanni Bosco was een Italiaanse priester. Hij werd op 16
augustus 1815 in het dorpje Becchi, nabij Turijn, geboren als zoon van een
arme boer, die met hard werken zijn kost verdiende. De eerste levensjaren van
Johannes Bosco hebben hem voor altijd getekend. Zijn vader overlijdt als hij
nog maar 2 jaar is, in 1817. Als kind
helpt Johannes mee in de stal en hoedt het vee. Op school krijgt hij een
vriendje, Luigi, maar deze sterft en dat raakt Johannes heel diep. Gelukkig
heeft hij zo zijn eigen manieren om zich over zijn verdriet heen te zetten.
Hij gaat naar kermissen en kijkt de kunst van het goochelen en jongleren zo
goed mogelijk af. Balancerend over een koord of met zijn vliegensvlugge
vingers weet hij vervolgens kinderen te vermaken en is immens populair. Hij
had wel een "bijbedoeling": de voorstelling begon met gebed en tussen twee
acts krijgen de kinderen de samenvatting van de laatste preek van meneer
pastoor te horen! Op negenjarige leeftijd had hij in een droom "de jeugd" als
werkterrein gezien: zijn roeping als priester en als vader van de verlaten
proletariërjongeren. Die droom is verschillende keren teruggekeerd. De
jeugdjaren van Don Bosco waren niet gemakkelijk. De opleiding kostte geld en
Joannes Bosco was arm. Hij pakte alles aan om aan geld te komen. Verzamelde
paddestoelen, hij ving vogels, maakte hoeden en kooien, spon wol en vlas,
breide kousen en gaf later les aan achtergebleven kinderen. Hij werkte als
boerenknecht en als herder. Hij bezocht de school in Castelnuove en kreeg zijn
onderricht van enkele priesters. Hij woonde bij een kleermaker van wie hij de
kunst van het kleermaken en het musiceren leerde. Hij werd een duizendpoot in
de meest uiteenlopende zaken, tot goochelen toe.
Een voorbeeld voor opvoeders:
Pas in het seminarie kreeg hij echte vorming en las hij veel boeken. Op
zijn zesentwintigste, in 1841, werd hij tot priester gewijd en ging hij verder als
"Don Bosco" door het leven. Hij wijdde zich geheel aan de opvoeding van de
verwaarloosde jongeren. Tijdens zijn priesterschap leerde Don Bosco de trieste
levensomstandigheden van de jongens kennen in de voorsteden van Turijn. Turijn
was in die tijd een snel groeiende stad. Veel mensen trokken van het
platteland naar de stad op zoek naar werk en eten. Ze brachten ook heel wat
problemen met zich mee. Jonge mensen doolden door de straten, werkloos,
verloren, tot het ergste bereid. Er waren steeds meer opvanghuizen voor
ex-prostituees en zwerfjongeren nodig. Don Bosco wilde een eind maken aan die
sociale wantoestanden. Op een avond gaat Don Bosco de Mis lezen. Hij hoort hoe
de koster een jongen afsnauwt. Hij springt ertussen en begint een gesprek. De
jongen heeft geen ouders meer, geen werk, geen opleiding, geen geloof... "Wat
kun je dan wel?" vraagt de priester. "Fluitspelen!" "Kom dan vanavond met je
vrienden en je fluit terug." Dit is het begin van Don Bosco's jeugdwerk. Hij
heeft geen idee waar hij aan begint en wat het zal worden. Gewoon aan de slag
gaan, dat is zijn motto. In goed vertrouwen op de hulp van Boven.
Een klein clubje komt elke
zondagmiddag samen. Don Bosco eet, speelt en bidt met ze en probeert ze
telkens wat te leren. Er komen er meer en meer. Hij moet zelfs uitzien naar
een grotere plek. Natuurlijk is er gemopper: "Al die schoffies en dat lawaai,
en die priester doet zelf nog mee ook..." Het clubje blijft groeien. Don Bosco
koopt een loods met drie kamers. Nu kan hij de jongens ook onderdak bieden. Op
een avond wordt er nog laat op de deur geklopt. Weer een dakloze jongen. Don
Bosco geeft hem zijn eigen matras en gaat zelf op een plank slapen.
Driehonderd worden het er. Vijfhonderd. Een heel stadje. Don Bosco organiseert
ambachtslessen en bedelt stad en land af voor "zijn" jongens. Langzaam komen
enkelen zich aanmelden om hem te helpen. Naar de heilige Franciscus van Sales,
een man met een groot hart voor hulpbehoevenden, zullen ze "Salesianen" gaan
heten. Don Bosco probeerde goede arbeidsovereenkomsten af te sluiten tussen
werkgevers, de jongens en hemzelf. Hij bouwde huizen, waar arme jongens konden
uitgroeien tot geschoolde werkkrachten, eerlijke mensen en goede christenen.
Don Bosco liet zich niet meeslepen in
de politieke en sociale twistpunten van die dagen. Hij streefde naar het
onmiddellijk haalbare. Daarvoor had hij de steun en de medewerking van
iedereen nodig. Dankzij de hulpmiddelen van velen heeft hij de armen goed
gedaan. Hij schreef veel, had talloze contacten tot en met de paus aan toe,
was veel op stap voor zijn jongens en zijn werk. Maar het liefst was hij thuis
in Turijn. Gewoon tussen de jongens. En als hij er was, was alles goed. Zoals
een ooggetuige beschreef: "Je kreeg de indruk, dat hij iemand was, die vol
aandacht was voor al wat rondom hem gebeurde; hij luisterde naar alles, vatte
alles, beantwoordde alles, maar toch weer zo dat je zou zeggen, dat zijn
gedachten elders waren: bij God. En toch zei hij tegen ieder precies wat hij
of zij nodig had." In 1846 stichtte hij het eerste oratorium van de heilige
Franciscus van Sales en vanaf 1859 begon hij de Congregatie van de Salesianen
van Don Bosco, die in het jaar 1874 door paus Pius IX werd bevestigd en
erkend. In 1876 tenslotte werd de Gemeenschap van de Salesiaanse Medewerkers
opgericht. Zo groeide het werk van Don Bosco voor jongeren wereldwijd. Op 31
januari 1888 stierf Don Bosco en werd begraven te Valsalice. In 1929 werd zijn
lichaam overgebracht naar de kerk van Maria, Hulp der Christenen, in Turijn.
Paus Pius XI heeft deze grote ordestichter op 1 april 1934 heilig verklaard.
Het geheim van zijn succes:
Don Bosco was een man met een hart
voor God en een hart voor kinderen en jongeren, en blijft een voorbeeld voor
opvoeders, ook in onze tijd. Wanneer Don Bosco zijn jongerenwerk gesticht
heeft en dit door zijn congregaties tot in Amerika verspreiding heeft
gevonden, krijgt hij, enkele maanden voor zijn dood een brief van de rector
van het grootseminarie van Montpellier in Frankrijk. Deze vraagt hem naar het
geheim van zijn succes, naar de methode waarmee hij zijn vele werken tot stand
heeft gebracht. Don Bosco leest de brief voor aan zijn naaste medewerkers in
het bestuur van de Salesiaanse congregatie en roept uit: "het geheim van mijn
succes, mijn methode, ik weet het zelf niet. Ik ben altijd verder gegaan zoals
de omstandigheden van mij vroegen en de Geest van de Heer me ingaf."
Als geroepen:
Europa beleeft in 1815 een woelige
periode. Napoleon wordt voorgoed verslagen; landen en regeringen proberen zo
snel mogelijk de voorbije jaren te vergeten en het verleden te herstellen.
Maar Europa zou nooit meer worden wat het geweest was. Een nieuw politiek en
sociaal tijdperk is onherroepelijk begonnen. Op het arme platteland van
Noord-Italië groeit Giovanni Bosco op. Een pienter kereltje dat hard moet
werken om te kunnen studeren, want studeren was noodzakelijk wilde hij
priester worden. Het is een droom die stilaan duidelijker wordt. Het is dan
ook een hele gebeurtenis als hij kan intreden in het seminarie van Chieri, een
provinciestadje van Piëmonte. De woorden van zijn eenvoudige moeder: "De eer
zit niet in het priesterkleed maar in de deugd", draagt hij met zich mee. Als
Don Bosco na zijn priesterwijding in 1841 aan de slag wil, raadt zijn
geestelijke begeleider hem aan om nog een aantal jaren te studeren aan het
Convict, een opleiding waarbij de klemtoon ligt op de pastoraal. De eenvoudige
boerenzoon die opgegroeid was in de dorpjes van Noord- Italië komt er in
aanraking met de grootstad. In de gevangenissen wordt hij geconfronteerd met
jongens die er bij misdadigers van allerlei slag zitten. Op de straat treft
hij heel wat jongeren aan die doelloos rondzwerven. Velen vinden geen werk,
hebben geen thuis of als ze al werk hebben, moeten ze in erbarmelijke
omstandigheden hun brood verdienen. De jonge priester komt er in contact met
een wereld die hij helemaal niet kende. Dat laat hem niet los. Het lijkt alsof
God hem opnieuw roept, daar in die situatie voor die jongeren.
Op de straten en pleinen van Turijn
hoort hij zijn echte roeping. Zijn geestelijke begeleider, don Cafasso
stimuleert hem om het catechesegroepje van de parochie over te nemen. Het
klikt tussen Don Bosco en die jongeren. Met open oren en ogen kijkt en
luistert hij naar wat bij jonge mensen leeft. Hij merkt hoe zij overdonderd
worden met lectuur van allerlei slag en prompt start hij een klein
tijdschriftje waarin hij jongeren en gewone mensen in een meeslepend verhaal
de basisbeginselen van het geloof uiteenzet. Hij begint werkplaatsen voor
schoenmakers, kleermakers, boekbinders, schrijnwerkers en een lyceum. Maar wat
als hij het niet meer zal kunnen? In Don Bosco groeit de idee om een
gemeenschap te beginnen met jongens die zich op dezelfde manier voor de jeugd
willen inzetten. Naar de heilige Frans van Sales noemt hij ze 'salesianen'
omdat hij geduld en zachtmoedigheid - twee begrippen die Frans van Sales veel
gebruikte - heel belangrijk vindt in de opvoeding van jonge mensen. Wat heel
eenvoudig begon, groeit enorm snel in en buiten Turijn. Geen project is te
zwaar als het de jeugd ten goede komt! Zo begint Don Bosco in 1863 de bouw van
een basiliek ter ere van Maria, hulp van de christenen. Hij organiseert
loterijen en schrijft honderden brieven om geld in te zamelen voor zijn
jeugdwerk. Het is een gelukkig moment als Don Bosco in 1869 de pauselijke
goedkeuring krijgt voor de salesiaanse congregatie. Hij droomt verder en
realiseert in en buiten Italië steeds meer werken ten behoeve van de jeugd.
Intussen is er in de buurt van Genua een groepje jonge vrouwen begonnen met
een soortgelijk werk voor de meisjes. Op aangeven van Don Bosco wordt het in
1872 een congregatie onder de naam: Dochters van Maria Hulp der Christenen.
Een dromer:
Don Bosco was een dromer. Niet een
dagdromer, maar iemand die in zijn dromen concrete aanwijzingen van God
ontving. Dat was vroeg begonnen, al toen hij negen was: "Ik droomde dat ik op
een groot erf was, waar veel jongens speelden, lachten en ook vloekten. Ik
sprong ertussen om ze door schreeuwen en slaan tot zwijgen te brengen. Toen
zag ik een voornaam man: zijn gelaat straalde zodat ik hem niet aan kon
kijken. Hij riep me bij mijn naam en zei dat ik hun leider moest worden: -
Niet met slaan maar met goedheid moet je ze tot vrienden
maken -" Een droom die een heel levensprogramma zou worden. Over
zijn dromen zei hij: "Ze geven een blik in zeer gecompliceerde dingen."
Sommige verstond hij als aanwijzingen van God. Die konden heel praktisch zijn
en gaan over een nieuw gebouw of de juiste contacten. Maar soms ook
onheil-spellend: over mensen die zouden gaan sterven, over natuurrampen en
dreigende perioden in de toekomst. Er waren meer wonderlijke dingen in zijn
leven. Zijn werk werd niet door iedereen gewaardeerd en regelmatig werd hij
bedreigd. Dan kon het gebeuren dat er ineens een grote zwarte hond opdook. Men
noemde hem Grigio. Niemand wist waar die vandaan kwam of heen ging. Maar hij
was er op de momenten dat Don Bosco bescherming nodig had, als een soort
viervoetige engelbewaarder.
Een basiliek ter ere van Maria:
8 maart 1864. Talrijke eregasten en een paar honderd jongens verdringen
zich op de bouwwerf naast het oratorium voor de eerstesteenlegging van de kerk
van Maria Hulp der Christenen. Tijdens het welkomstwoordje verklaart Don Bosco
met bewogen stem: "Deze achtste maart 1864 zal geschiedenis maken in ons werk.
De eerste steen die wij hier oprichten doet werkelijk een droom in vervulling
gaan. Reeds twintig jaar geleden, in 1844, zag ik hier in gedachten een
prachtige kerk staan, die Maria voor zichzelf zou bouwen. Wij zijn hierbij
slechts de werktuigen. In mijn droom zag ik een spreuk geschilderd in het
koepelgewelf: - Van hier zal mijn roem uitstralen
- . We mogen dus nog grote
dingen verwachten." Tijdens het kleine feestje achteraf - de steen wordt door
allen goedkeurend bewonderd - komt de aannemer Buzzetti op de gelukkige Don
Bosco af. "Eerwaarde, proficiat! Maar mag ik na de vreugde even zakelijk
worden?" "Juist", valt Don Bosco hem in de rede, "u wenst een eerste
voorschot!" Tegelijk haalt hij zijn geldbuidel te voorschijn en schudt de hele
inhoud in de open handen van Signor Buzzetti. Een schamele dertig lire valt
eruit, belachelijk! "Meer heb ik niet, mijn beste. Maar maak je geen zorgen,
de Moeder Gods helpt ons wel verder". Hierop gaat Don Bosco op een andere gast
af. De aannemer staat er onthutst bij. Zijn arbeiders horen hem mompelen: "Dat
kan hier plezierig worden."
Zonder middelen, maar met een grote
dosis vermetelheid, was Don Bosco aan de plannen van zijn Mariabasiliek
begonnen. Van bij de aanvang reeds - de aankoop van de bouwgrond - viel de
vaak wonderlijke leiding van Maria te bespeuren. Van alle kanten kwamen giften
toegestroomd. Er zaten bedragen tussen die tot op de lire de lopende
rekeningen vereffenden, al was dat soms op de vervaldag zelf. Don Bosco's
medehelpers geraakten hierbij in vertwijfeling, maar zelf liep hij er om het
vrolijkst bij. "Waarom je opwinden", zei hij dan, "ik ben hier slechts kassier
van iemand anders." Zijn voorliefde voor Maria, Hulp der Christenen, is
ontstaan uit een droom (1862) waarbij de Kerk van Rome, uitgebeeld als een
schip - met daarop de paus als stuurman -, in gevaar zou zijn in een geweldige
storm en strijd. Midden in de zee stonden twee geweldige zuilen, de ene zuil
met daarop een beeld van de onbevlekte Maagd Maria, de andere veel hogere zuil
met daarop een zeer grote Hostie. De verdere inhoud en de betekenis van dit
visioen zullen we hieronder bekijken. In dit visioen is sprake van drie witte
gestalten: de paus, Maria en de Eucharistie. Deze drie witte gestalten zijn
zeer belangrijk in het leven van Don Bosco, maar ook voor de toekomst van de
Kerk. Nooit heeft Don Bosco getwijfeld aan de genadewerking van de Verrezen
Heer. Steeds werden onmogelijke zaken tot een groot succes. Deze wonderwerken
bleven tot aan zijn levenseinde.
Eucharistie in zijn leven:
Uit het leven van de heilige Don
Bosco (1815-1888) zijn heel wat verbazingwekkende gebeurtenissen bekend, die
betrekking hebben op de heilige Eucharistie. Alle verklaringen werden
betrouwbaar opgetekend. Don Evasius Garrone verklaart als getuige: "In januari
1879 was ik misdienaar bij Don Bosco die de heilige Mis opdroeg aan het altaar
in zijn voorkamer. Mijn medescholier Francini, die intussen overleden is, was
er ook bij. Toen Don Bosco de heilige gedaantes omhoog hief, zagen wij, dat
hij opgetogen was. Verheerlijking lag op zijn gezicht, zodat daardoor de hele
kamer leek te stralen. Langzaam maakten zijn voeten zich los van de
altaartrede en Don Bosco zweefde wel tien minuten lang in de lucht. Wij twee
misdienaars konden - volgens het gebruik toen - de zoom van het misgewaad niet
aanraken. Ik was uitermate verrast, wilde Don Bosco roepen, maar vond hem
niet. Terug op mijn plaats zag ik nog net Don Bosco de treden naar beneden
komen, de kamer leek mij bijna als een hemel. Op de heilige Mis volgde een
lange dankzegging. Daarna bracht ik hem zo als gewoonlijk koffie en vroeg hem:
"Maar Don Bosco, wat was er vanochtend aan de hand bij het opheffen van de
heilige gedaanten? Hoe kwam het, dat die opeens zo hoog en groot werden?" Hij
keek me slechts aan en zei, zonder het gespreksthema te veranderen: "Neem ook
wat koffie". Hij schonk mij een kopje in en reikte het mij aan. Ik merkte
meteen dat hij daarover niet wilde spreken, ik bleef daarom stil en dronk mijn
koffie op. Tot driemaal toe was ik getuige van zijn omhoogzweven.
Uit de vroege priesterjaren van Don
Bosco schreef een ooggetuige een gebeurtenis neer, die bevestigd werd en grote
verbazing veroorzaakte. Het was in het jaar 1849. Men vierde in het Oratorium
(gemeenschap van Don Bosco) een van de grootste feesten, het zou het Feest van
Maria's Geboorte geweest kunnen zijn. Ongeveer 650 jongeren hadden het
sacrament van de biecht ontvangen en bereidden zich nu voor op het ontvangen
van de heilige communie. Don Bosco begon met de mis in de veronder-stelling,
dat in het Tabernakel zoals gewoonlijk, een tot bovenaan gevulde kelk stond.
De kelk was echter nagenoeg leeg. Josef Buzzetti was vergeten, een andere
schaal met de te consacreren hosties op het altaar te zetten. Pas na de
plechtige consecratie merkte hij het ongelukkige voorval op. Toen Don Bosco de
heilige communie begon uit te delen, was hij bezorgd, omdat hij zo weinige
hosties had en zo vele communicanten zag, die om het altaar stonden. Hij was
diep bedroefd bij de gedachte, dat hij zo vele jonge mensen zonder het heilige
sacrament zou moeten terugsturen. Hij hief zijn ogen ten hemel en ging door
met het uitdelen van de heilige communie. Ziedaar, tot zijn grootste
verwondering en tot de nog grotere verwondering van Buzzetti, die diep
beschaamd was, omdat hij Don Bosco door zijn vergeetachtigheid zo in
verlegenheid had gebracht, bemerkte Don Bosco dat de heilige hosties onder
zijn handen vermeerderden. Zonder ook maar een hostie te moeten breken, kon
hij aan allen de communie uitreiken. Toen men Don Bosco eens zelf over dit
voorval vroeg, gaf hij het zonder meer toe. "Die macht, die het wonder van de
transsubstantiatie volbrengen kan, zal ook een vermeerdering niet in de weg
staan."
Visioen van Don Bosco mei 1862:
Op 26 mei 1862 beloofde Don Bosco zijn jongens op de laatste of voorlaatste
dag van de maand "iets moois" te vertellen. Na het avondgebed van 30 mei loste
hij in zijn avondgedachte deze belofte in. Hij zei: "Tot jullie geestelijk
voordeel zal ik jullie vandaag een droom vertellen, die ik een paar dagen
geleden heb gehad. Stellen jullie je voor, wij bevinden ons aan de kust bij de
zee of beter nog, op een eenzame klip, en zien geen land, behalve de grond
onder onze voeten. Op zee zien wij talloze schepen, die zich hebben opgesteld
voor een zeeslag. Zij beschikken over ijzeren scheepspitsen en zijn met
kanonnen, geweren, en allerhande ander schiettuig uitgerust. Zij naderen een
schip dat veel groter is dan hun eigen schip en proberen deze met hun ijzeren
spitsen te beschadigen, het in brand te steken en het alle mogelijke schade
toe te brengen. Het grote schip wordt door vele kleine schepen omringd, die
van hem bevelen ontvangen en het majestueuze schip tegen de vijandelijke vloot
verdedigen. Zij hebben sterke tegenwind, en de onstuimige zee lijkt de
aanvallers te begunstigen. Midden op zee staan op korte afstand van elkaar
twee machtige zuilen. De ene wordt door een standbeeld van de Immaculata
gekroond, aan wiens voeten staat: Auxilium christianorum (hulp van de
Christenen). Op de tweede veel hogere en machtigere zuil zien wij een zeer
grote hostie, waaronder op een schild de woorden staan: 'Salus credentium'
(heil van de gelovigen). De paus als bevelhebber van de vloot ziet de woede
van de vijanden en daarmee het gevaar, waarin zijn getrouwen verkeren. Hij
roept derhalve de kapiteins van de begeleidende boten naar zijn schip voor
beraadslaging. De storm wakkert steeds meer aan; de kapiteins moeten naar hun
boten terugkeren. Nadat de zee weer kalm geworden is, roept de paus de
kapiteins een tweede keer naar zich toe. Plotseling breekt de storm opnieuw
los. De paus staat aan het stuur en tracht met alle kracht zijn schip tussen
die twee zuilen te sturen, waaraan vele ankers en grote haken bevestigd zijn.
De vijandelijke schepen beginnen nu met de aanval en willen het pauselijke
schip doen zinken. Steeds weer proberen zij brandend materiaal aan boord van
het grote schip te werpen en vuren met hun boordgeschut uit alle lopen.
Ondanks
de felle strijd van de vijandelijke schepen en de inzet van alle wapens
mislukt de aanval en het pauselijke schip doorklieft, hoewel het aan beide
zijden beschadigd is, vol vertrouwen de zee, want amper getroffen, dicht een
zachte wind, die uit de twee zuilen komt, meteen ieder lek. Op de schepen van
de aanvallers ontploffen nu de lopen van de kanonnen, de boegen van de schepen
barsten uit elkaar en zinken in de zee. Plotseling echter wordt de paus door
een vijandelijke kogel getroffen. Zijn helpers ondersteunen hem maar kort
daarna wordt hij opnieuw getroffen door het vijandelijke geschut en valt neer.
Op de vijandelijke vloot klinkt geschreeuw van vreugde en overwinning. De op
het pauselijke schip verzamelde kapiteins kiezen snel een nieuwe paus, zodat
met het nieuws van de dood van hun bevelhebber tegelijkertijd het nieuws van
de verkiezing van de opvolger bij de vijanden arriveert. Nu verliezen dezen
plotseling alle moed, het pauselijke schip echter overwint alle hindernissen
en vaart veilig tussen de twee zuilen door, waar het voor anker gaat. De
vijanden vluchten, rammen elkaar en gaan ten onder. De kleine boten die het
pauselijke schip begeleiden, roeien nu eveneens met volle kracht naar de
zuilen toe en leggen daar aan. Op zee treedt een grote stilte in." Don Bosco
vroeg aan zijn latere opvolger als Generaal Overste, Don Michael Rua: "Wat
vind jij van dit verhaal?" Don Ruan antwoordde: "Het komt mij voor dat het
schip van de paus de Kerk is, waarvan hij het opperhoofd is. De andere schepen
zijn de mensen, de zee is de wereld. Zij die het grote schip verdedigen, zijn
de trouwe aanhangers van de paus, de anderen zijn zijn vijanden, die met alle
macht trachten, de Kerk te vernietigen. De twee Zuilen betekenen, lijkt mij,
de verering van Maria en de heilige Eucharistie. Don Bosco zegt: "Je hebt
juist gesproken. Alleen één uitdrukking moet gecorrigeerd worden: De
vijandelijke schepen betekenen de vervolgingen van de Kerk. Ze brengen de Kerk
de zwaarste beproevingen toe. Wat er tot nu toe gebeurde, is haast niets in
vergelijking met wat nog zal komen. De schepen symboliseren de vijanden van de
Kerk, die het hoofdschip trachten tot zinken te brengen, als het hen zou
lukken. Slechts twee middelen blijven ons over tot redding in deze verwarring:
de verering van de Moeder Gods en regelmatig de heilige communie ontvangen."
Dit visioen van Don Bosco had vooral als doel: Ons tot gebed voor de Kerk en
de Paus aan te moedigen en ons op de verering van het sacrament van het altaar
en Maria, de Onbevlekt Ontvangenis, te wijzen.
Tot slot:
In 1888 is Don Bosco gestorven. Zijn levenswerk is doorgegaan. Door zijn
rotsvaste geloof en onvermoeibare en creatieve daadkracht wist hij anderen te
inspireren. In zijn tijd kwam hij als geroepen. Maar niet alleen voor zijn
eigen tijd had hij een boodschap. Hij is ook van onschatbaar belang geweest
voor mensen die in de 20e eeuw enorme veranderingen hebben doorgemaakt, ook in
de Kerk. Als je ziet waar de nieuwe bewegingen in de Kerk hun inspiratie
vandaan halen, dan is het juist uit een herbronning in het geloof, waarbij de
paus als zichtbare plaatsvervanger van Christus op aarde een belangrijke
plaats inneemt. En deze herbronning vindt met name plaats rond de Eucharistie,
bron en hoogtepunt in de Kerk. En Maria wordt steeds meer ontdekt als degene
die ons daarbij beter dan wie ook kan begeleiden. Deze drie witte gestalten
zullen zich in de 21e eeuw ongetwijfeld verder uitkristalliseren in de
geloofsbeleving van de katholieke Kerk.
Bronvermelding:
Nieuwsbrief over Actuele Verschijningen "Avé" van december 2004 door pastoor
Rudo Franken
- Stichting Marypages -
|
De stichting heeft ten doel:
het instand houden, onderhouden en uitbreiden van de Internet homepage
“Marypages” om het Rooms-Katholieke geloof te promoten, waarbij de
nadruk ligt op de Maria-devotie. Resterende verkrijgingen en baten
zullen ten goede komen van goede doelen op Rooms-Katholieke grondslag.Ingeschreven Kamer van Koophandel Flevoland, onder nummer:
39100629
Donateur:
U bent al donateur van de stichting voor minimaal
€ 20,- per jaar
U heeft dan recht op:
- 4x de nieuwsbrief van de Stichting Marypages
- 1 wonderdadige medaille
Bij een donatie van minimaal € 50,-- krijgt u
bovendien 1 prachtige lichtblauwe rozenkrans uit Lourdes
toegestuurd.
Uw financiële hulp is essentieel voor het
voortbestaan van Marypages.
Als u een donatie wilt doen, klik dan alstublieft op de knop "online
doneren" hieronder.

 |


|