Voor het plaatsen van de Encycliek
Caritas in Veritate is toestemming
gevraagd aan en verleend door het
Secretariaat van de RK Kerk SRKK,
waarvoor onze dank.
Bij hen berust dan ook het copyright van
deze Encycliek.
Het is dan ook niet toegestaan om zonder
uitdrukkelijke schriftelijke toestemming
van het Secretariaat van de RK Kerk SRKK
informatie, teksten en html-codes
daaronder begrepen, via electronische en
gedrukte media of op welke andere wijze
ook, op te slaan en/of te verspreiden.
ENCYCLIEK
CARITAS IN
VERITATE
VAN PAUS
BENEDICTUS XVI

AAN DE BISSCHOPPEN
AAN DE PRIESTERS EN DIAKENS
AAN DE RELIGIEUZEN
AAN DE LEKENGELOVIGEN
EN AAN ALLE MENSEN
VAN GOEDE WIL
OVER DE INTEGRALE
ONTWIKKELING VAN DE MENS
IN LIEFDE
EN WAARHEID
INLEIDING
1. Caritas in veritate – liefde in waarheid,
waarvan Jezus Christus met Zijn aardse leven en
bovenal met Zijn dood en verrijzenis heeft
getuigd, is de voornaamste drijfveer voor de
waarachtige ontwikkeling van iedere mens en van
de gehele mensheid. De liefde – caritas
– is een bijzondere kracht die mensen ertoe
aanzet zich moedig en onbaatzuchtig in te zetten
op het terrein van gerechtigheid en vrede. Het
is een kracht die zijn oorsprong heeft in God,
Die de eeuwige liefde en de absolute waarheid
is. Iedereen vindt het geluk als hij instemt met
het plan dat God voor hem heeft om hem volledig
tot zijn recht te doen komen: in dit plan vindt
hij namelijk Zijn waarheid en als hij met die
waarheid instemt, wordt hij vrij (vgl. Joh.
8,22). Het verdedigen van de waarheid, deze
nederig en overtuigd naar voren brengen en er in
het leven van getuigen, zijn daarom veeleisende
en onvervangbare vormen van liefde. Want de
liefde “vindt haar vreugde in de waarheid” (1
Kor. 13,6). Alle mensen voelen de innerlijke
drang waarachtig lief te hebben: liefde en
waarheid verlaten hen nooit helemaal, want het
gaat hier om de roeping die God in het hart en
de geest van iedere mens heeft gelegd. Jezus
Christus zuivert en bevrijdt de zoektocht naar
liefde en waarheid van onze menselijke
armzaligheid en openbaart ons volledig het
initiatief van de liefde en het plan voor
waarachtig leven, dat God voor ons heeft bereid.
Liefde in waarheid wordt het gelaat van
Christus, en in Christus wordt het onze roeping
onze medemensen in de waarheid van Zijn plan
lief te hebben. Hij is immers Zelf de waarheid
(vgl. Joh. 14,6).
2. Liefde is de rode
draad die door de sociale leer van de Kerk
loopt. Iedere door deze leer beschreven
verantwoordelijkheid en verplichting komt voort
uit de liefde, die – in de woorden van Jezus –
de samenvatting van de gehele wet is (vgl. Mt.
22,36-40). De liefde geeft aan de persoonlijke
relatie tot God en tot de naaste de juiste
inhoud; ze vormt het principe niet alleen van
micro-betrekkingen – in vriendschap, familie en
kleine groepen – maar ook van macro-betrekkingen
– in sociale, economische en politieke
verbanden. Voor de Kerk is – op grond van het
Evangelie – de liefde alles, want, zoals de
heilige Johannes ons leert (vgl. 1 Joh. 4,8.16)
en ik in mijn eerste encycliek in herinnering
heb gebracht: “God is liefde” (Deus caritas
est): Alles komt voort uit Gods liefde,
alles wordt erdoor gevormd en alles is erop
gericht. De liefde is de grootste gave van
God aan de mens; zij is Zijn belofte en onze
hoop.
Ik weet van de misvormingen van de liefde en van
de manieren waarop zij van haar ware betekenis
ontdaan is en wordt, met het bijbehorende gevaar
dat zij verkeerd begrepen wordt, uitgesloten van
een ethische levenspraktijk, en in ieder geval
belemmerd om op de juiste wijze tot haar recht
te komen. Op sociaal, juridisch, cultureel,
politiek en economisch vlak, dus in de verbanden
die het meest kwetsbaar zijn voor dit gevaar,
wordt de liefde al gauw als irrelevant voor de
interpretatie en de oriëntering van de morele
verantwoordelijkheid beschouwd. Daarom is het
noodzakelijk liefde en waarheid niet alleen met
elkaar te verbinden in de door de heilige Paulus
aangegeven richting van “veritas in caritate”
(Ef. 4,15), maar ook in de omgekeerde en
complementaire vorm “caritas in veritate”.
De waarheid moet worden gezocht, gevonden en
uitgedrukt in de “economie” van de liefde, maar
de liefde moet tevens in het licht van de
waarheid worden verstaan, bevestigd en in
praktijk gebracht. Op die manier zullen wij niet
alleen de door de waarheid verlichte liefde een
dienst bewijzen, maar we zullen er ook toe
bijdragen dat de waarheid geloofwaardig blijkt
te zijn, doordat wij de authenticiteit en de
overtuigingskracht ervan in het concrete sociale
leven duidelijk maken. Dat is vandaag de dag van
niet geringe betekenis in een sociaal en
cultureel milieu dat de waarheid relativeert en
er vaak onverschillig of zelfs afwijzend
tegenover staat.
3. Door het nauwe verband met de waarheid kan de
liefde erkend worden als authentieke uitdrukking
van het mens-zijn en als een element van
fundamentele betekenis in de menselijke
betrekkingen – ook in het publieke leven.
Alleen in de waarheid straalt de liefde en kan
zij geloofwaardig geleefd worden. De
waarheid is een licht dat de liefde zin en
waarde verleent. Het is het licht van de rede
zowel als van het geloof, waardoor het verstand
tot de natuurlijke en bovennatuurlijke waarheid
van de liefde komt; het verstand begrijpt haar
betekenis als overgave, aanvaarding en
gemeenschap. Zonder waarheid glijdt de liefde af
in sentimentaliteit. Ze wordt een leeg omhulsel,
dat men naar believen kan vullen. Dat is het
noodlottige gevaar voor de liefde in een cultuur
zonder waarheid. Zij wordt slachtoffer van de
toevallige gevoelens en meningen van individuen,
een woord dat misbruikt en vervormd wordt, tot
het uiteindelijk het tegendeel betekent. De
waarheid bevrijdt de liefde van een reductie tot
emotionaliteit die haar van haar redelijke en
sociale inhoud berooft, en van een fideïsme dat
haar de menselijke en universele ruimte
ontneemt. In de waarheid weerspiegelt de liefde
de persoonlijke en tegelijk openbare dimensie
van het geloof in de bijbelse God, Die tegelijk
“Agape” en “Logos” is: Caritas en Waarheid,
Liefde en Woord.
4. Omdat de liefde vol waarheid is, kan zij, in
haar rijkdom aan waarden, door de mens begrepen,
instemmend aanvaard en overgedragen worden. Want
de waarheid is de “logos” die de “diá-logos”
schept en daarmee uitwisseling en gemeenschap
bewerkt. Daar de waarheid de mensen uit hun
subjectieve meningen en ervaringen haalt, geeft
zij hun de mogelijkheid culturele en historische
feiten te overwinnen en elkaar bij de
beoordeling van de waarde en het wezen van de
dingen te ontmoeten. De waarheid opent het
verstand van de mensen en verenigt hun intellect
in de Logos van de liefde: dat is de boodschap
en het christelijke getuigenis van de liefde.
Als wij in het huidige sociale en culturele
milieu, waarin de tendens om de waarheid te
relativeren wijdverbreid is, de liefde in
waarheid leven, komen wij tot het inzicht dat
instemming met de waarden van het Christendom
niet alleen een nuttig maar ook een
onontbeerlijk element is voor de opbouw van een
goede samenleving en een echte integrale
ontwikkeling van de mens. Een Christendom van
liefde zonder waarheid kan gemakkelijk
verwisseld worden met een hoeveelheid goede,
voor het sociale leven nuttige, maar bijkomstige
gevoelens. Op die manier zou er in de wereld
geen werkelijke plaats meer zijn voor God.
Zonder de waarheid wordt de liefde verbannen
naar een beperkt en privé domein van relaties.
Van de planning en de processen die de opbouw
van een wereldomvangende menselijke ontwikkeling
beogen – in een dialoog van kennis en praktijk –
wordt zij dan uitgesloten.
5. Caritas is ontvangen en geschonken
liefde. Zij is “genade” (cháris). Haar
bron is de oorspronkelijke liefde van de Vader
tot de Zoon in de Heilige Geest. Zij is de
liefde die van de Zoon op ons neerdaalt. Zij is
scheppende liefde, waaruit wij ons bestaan
hebben; zij is verlossende liefde, waardoor wij
wedergeboren zijn. Zij is de door Christus
geopenbaarde en verwezenlijkte liefde (vgl. Joh.
13,1), “in ons hart uitgestort door de Heilige
Geest” (Rom. 5,5). Als ontvangers van de liefde
van God worden de mensen geroepen om dragers van
de naastenliefde te zijn en ertoe aangezet zelf
werktuigen van de genade te worden, om de liefde
van God te verbreiden en netten van
naastenliefde te knopen.
Op deze dynamiek van ontvangen en geschonken
liefde gaat de sociale leer van de Kerk in. Zij
is “caritas in veritate in re sociali”:
verkondiging van de waarheid van de liefde van
Christus in de samenleving. Deze leer is dienst
van de liefde, maar in waarheid. De waarheid
behoedt en geeft uiting aan de bevrijdende
kracht van de liefde in de steeds nieuwe
wisselvalligheden van de geschiedenis. Zij is
tegelijkertijd de waarheid van het geloof en van
de rede, in zowel het onderscheid tussen de
beide vormen van inzicht als in de samenwerking
ervan. Voor de ontwikkeling, het sociale welzijn
en een gepaste oplossing van de zware
socio-economische problemen waardoor de mensheid
wordt geplaagd, is deze waarheid noodzakelijk.
En het is nog noodzakelijker dat men deze
waarheid liefheeft en ervan getuigt. Zonder
waarheid, zonder vertrouwen in en liefde voor
het ware is er geen geweten en geen sociale
verantwoordelijkheid. Dan wordt het sociale
handelen een spel van privébelangen en de logica
van de macht, met ontwrichtende gevolgen voor de
samenleving, des te meer in een samenleving op
weg naar globalisering en onder zulke moeilijke
omstandigheden als de huidige.
6. “Caritas in veritate” is het
principe waar de sociale leer van de Kerk om
draait, een principe dat effectief vorm aanneemt
in de criteria die richting geven aan het morele
handelen. Twee daarvan, die speciaal vereist
zijn bij de inzet voor ontwikkeling in een
samenleving op weg naar globalisering, wil ik
speciaal vermelden: gerechtigheid en
het algemeen welzijn.
Eerst de gerechtigheid. Ubi societas,
ibi ius: iedere samenleving werkt een
eigen rechtssysteem uit. De liefde
overstijgt de gerechtigheid, want
liefhebben is geven, de ander geven van datgene
wat “van mij” is; maar het ontbreekt de liefde
nooit aan gerechtigheid, die mij ertoe brengt de
ander te geven wat “van hem” is, wat hem op
grond van zijn bestaan en zijn werken toekomt.
Ik kan de ander niets “schenken” van wat van mij
is, zonder hem op de eerste plaats gegeven te
hebben wat hem rechtmatig toekomt. Wie de ander
met naastenliefde tegemoet treedt, is allereerst
rechtvaardig jegens hem. De gerechtigheid is op
geen enkele wijze vreemd aan de liefde en is ook
geen alternatieve of parallelle weg naast de
liefde: de gerechtigheid is onlosmakelijk met de
liefde verbonden,1 maakt er onderdeel
van uit. De gerechtigheid is de eerste weg van
de liefde of, in de woorden van Paulus VI, het
“minimum” ervan,2 een wezenlijk
bestanddeel van die liefde “in daad en waarheid”
(1 Joh. 3,18), waartoe de apostel Johannes
oproept. Van de ene kant vereist de liefde de
gerechtigheid: de erkenning en eerbiediging van
de legitieme rechten van individuen en volken.
Ze zet zich in voor de opbouw van de “aardse
stad” volgens recht en gerechtigheid. Van de
andere kant overstijgt de liefde de
gerechtigheid en voltooit die in de logica van
geven en vergeven.3 De “aardse stad”
wordt niet alleen vooruitgeholpen door
betrekkingen op grond van rechten en plichten,
maar allereerst en vooral op grond van relaties
die worden getekend door belangeloze
vrijgevigheid, barmhartigheid en saamhorigheid.
De naastenliefde openbaart ook in de menselijke
betrekkingen altijd de liefde van God; die
verleent aan iedere inzet voor gerechtigheid in
de wereld een theologische en heilbrengende
waarde.
7. Verder moet er bijzondere waarde worden
gehecht aan het algemeen welzijn. Van iemand
houden betekent zijn welzijn voor ogen hebben en
zich daar effectief voor inzetten. Naast het
individuele welzijn is er het welzijn dat
verbonden is met de mensen in de samenleving:
het algemeen welzijn. Dat is het welzijn van
“wij allemaal”, opgebouwd uit individuen,
gezinnen en kleinere groepen, die zich verenigen
tot een sociale gemeenschap.4 Het is
geen welzijn dat voor zichzelf wordt gezocht,
maar voor de mensen die behoren tot de sociale
gemeenschap en alleen daarin werkelijk en
effectief hun welzijn kunnen vinden. Het
algemeen welzijn wensen en zich daarvoor
inzetten is een vereiste van gerechtigheid
en liefde. Zich inzetten voor het algemeen
welzijn betekent het geheel van de instellingen
die structuur geven aan het sociale leven, op
juridisch, burgerlijk, politiek en cultureel
gebied, enerzijds beschermen en anderzijds zich
daarvan bedienen, zodat op die manier de
Polis, de stad, vorm krijgt. De
naastenliefde is des te doeltreffender, naarmate
men zich meer inzet voor een algemeen goed, dat
iemand ook daadwerkelijk nodig heeft. Iedere
Christen is geroepen tot deze naastenliefde, op
de wijze van zijn roeping en naar zijn invloed
in de Polis. Dat is de institutionele –
we kunnen ook zeggen de politieke – weg van de
naastenliefde, die niet minder deugdelijk en
effectief is dan de liefde die de naaste
rechtstreeks ontmoet, buiten de bemiddeling van
de Polis om. Als de inzet voor het
algemeen welzijn door de liefde bezield is,
heeft die een hogere waarde dan alleen
wereldlijke, politieke inzet. Zoals iedere inzet
voor gerechtigheid behoort ook deze tot dat
getuigenis van de goddelijke liefde dat, hoewel
het werkt in de tijd, de eeuwigheid voorbereidt.
Als het handelen van de mens op aarde door de
liefde geïnspireerd en ondersteund wordt, draagt
het bij tot de opbouw van de universele Stad
van God, waar de geschiedenis van de
familie van de mensheid naartoe op weg is. In
een samenleving op weg naar globalisering moet
het algemeen welzijn en de inzet daarvoor zonder
meer de dimensies van de gehele familie van de
mensheid, dat wil zeggen de gemeenschap van de
volkeren en de naties,5 aanvaarden,
zodat zij de “aardse stad” vormen in eenheid en
vrede en deze tot op zekere hoogte maken tot een
voorafbeelding van de onbegrensde stad van God.
8. Door de publicatie van de encycliek
Populorum progressio in het jaar 1967 heeft
mijn vereerde voorganger Paulus VI het grote
thema van de ontwikkeling van de volkeren met de
glans van de waarheid en het licht van Christus’
liefde verlicht. Hij heeft bekrachtigd dat de
verkondiging van Christus de eerste en
voornaamste ontwikkelingsfactor is,6
en hij heeft ons de opdracht gegeven op de weg
van de ontwikkeling voort te gaan met ons hart
en ons hele verstand,7 dat wil zeggen
met het vuur van de liefde en de wijsheid van de
waarheid. Het is de oorspronkelijke waarheid van
de liefde Gods, een genade die ons geschonken
is, die ons leven opent voor de gave en het
mogelijk maakt te hopen op een ontwikkeling “van
de gehele mens en de gehele mensheid”,8
een overgang “van minder menselijke naar meer
menselijke omstandigheden”9, die
wordt bereikt door de overwinning van de
moeilijkheden die zeker onderweg zullen worden
aangetroffen.
Meer dan veertig jaar na de publicatie van deze
encycliek wil ik de gedachtenis van de grote
Paus Paulus VI herdenken en eer bewijzen, door
zijn leer over de integrale ontwikkeling van de
mens op te pakken en mij op de door hem
uitgezette weg te begeven, om die in de huidige
tijd te actualiseren. Dit proces van
actualisering is begonnen met de encycliek
Sollecitudo rei socialis, waarmee de
Dienaar Gods Paus Johannes Paulus II de
publicatie van Populorum progressio
heeft willen gedenken, twintig jaar nadat deze
verschenen was. Op een dergelijke wijze was tot
dan toe alleen de encycliek Rerum novarum
herdacht. Nu opnieuw twintig jaar verlopen zijn,
geef ik uitdrukking aan mijn overtuiging dat de
encycliek Populorum progressio het
verdient beschouwd te worden als “de Rerum
novarum van onze tijd”, die de schreden van
de mensheid op de weg naar eenheid verlicht.
9. Liefde in waarheid – caritas in veritate
– is een grote uitdaging voor de Kerk in een
tijd van voortschrijdende en om zich heen
grijpende globalisering. Het gevaar van onze
tijd bestaat erin dat met de daadwerkelijke
afhankelijkheid van mensen en volkeren
onderling, de ethische correlatie van geweten en
verstand van de betrokkenen niet overeenstemt,
van waaruit een werkelijk menselijke
ontwikkeling zou moeten voortkomen. Alleen met
de liefde, verlicht door het licht van de
rede en van het geloof, is het mogelijk
ontwikkelingsdoelen te bereiken, die een
menselijkere en meer vermenselijkende waarde
bezitten. Het delen van goederen en hulpbronnen,
wat tot echte ontwikkeling leidt, wordt niet
enkel door technische vooruitgang en door pure
berekening gegarandeerd, maar door het
potentieel van de liefde, die het kwade overwint
door het goede (vgl. Rom. 12,21) en de mensen
ervoor openstelt in geweten en vrijheid op
elkaar te reageren.
De Kerk heeft geen technische oplossingen te
bieden10 en wil zich absoluut niet
“op enigerlei wijze in de politiek van de staten
[…] mengen”.11 Zij heeft echter wel
te allen tijde en onder alle omstandigheden een
zending van waarheid te vervullen voor een
samenleving die recht doet aan de mens en aan
zijn waardigheid en roeping. Zonder waarheid
vervalt men in een empiristische en sceptische
levensopvatting, die niet in staat is zich boven
de praktijk te verheffen, omdat ze er niet in
geïnteresseerd is de waarden – en soms zelfs
niet de betekenis daarvan – te vatten, waarmee
de praktijk beoordeeld moet worden en waarop
deze moet worden afgestemd. De trouw aan de mens
vereist de trouw aan de waarheid, die de
enige garantie is voor de vrijheid (vgl.
Joh. 8,32) en de mogelijkheid biedt voor een
totale menselijke ontwikkeling. Daarom
zoekt de Kerk de waarheid, verkondigt zij die
onvermoeibaar en erkent zij die waar die zich
ook openbaart. Van deze zending van de waarheid
kan de Kerk nooit afstand doen. Haar sociale
leer is een bijzonder aspect van deze
verkondiging: een dienst aan de waarheid die
bevrijdt. Open voor de waarheid, om het even uit
welke soort kennis die voortkomt, neemt de
sociale leer van de Kerk die op, verenigt de
brokstukken waarin zij die veelvuldig aantreft
tot een eenheid en voert die binnen in de steeds
weer nieuwe levenspraktijk van de samenleving
van de mensen en van de volken.12
HOOFDSTUK I: DE BOODSCHAP VAN POPULORUM
PROGRESSIO
10. De herlezing van Populorum progressio
meer dan veertig jaar na de publicatie ervan zet
ertoe aan trouw te blijven aan de boodschap van
liefde en waarheid die in deze encycliek wordt
verkondigd en deze te beschouwen in de context
van de specifieke leer van Paus Paulus VI en,
meer algemeen, binnen de traditie van de sociale
leer van de Kerk. Vervolgens moet worden
overwogen hoezeer de omstandigheden waaronder
het probleem van de ontwikkeling zich vandaag de
dag voordoet, verschillen van die van toen. Het
juiste gezichtspunt is dus dat van de
overlevering van het apostolische geloof,13
van het oude en het nieuwe erfgoed, waarbuiten
Populorum progressio een document
zonder wortels zou zijn en de vragen over de
ontwikkeling gereduceerd zouden worden tot
sociologische gegevens.
11. De publicatie van Populorum progressio
vond plaats onmiddellijk na de afsluiting van
het Tweede Vaticaans Concilie. De encycliek zelf
verwijst in de eerste alinea’s naar de nauwe
band met het Concilie.14 Paus
Johannes Paulus II onderstreepte twintig jaar
later in Sollicitudo rei socialis van
zijn kant de vruchtbare band van deze encycliek
met het Concilie, in het bijzonder met de
Pastorale Constitutie Gaudium et Spes.15
Ook ik wil hier herinneren aan de betekenis van
het Tweede Vaticaans Concilie voor de encycliek
van Paus Paulus VI en voor het gehele volgende
leergezag van de pausen met betrekking tot
sociale vraagstukken. Het Concilie verdiepte wat
van oudsher tot de waarheid van het geloof
behoort, namelijk dat de Kerk, omdat zij in
dienst van God staat, met betrekking tot liefde
en waarheid in dienst van de wereld staat. Juist
van deze visie ging Paus Paulus VI uit, om ons
twee grote waarheden over te brengen. De eerste
is dat de gehele Kerk, als zij verkondigt,
als zij Eucharistie viert en als zij in liefde
handelt, erop gericht is de integrale
ontwikkeling van de mens te bevorderen. Zij
heeft een publieke rol, die zich niet beperkt
tot haar inzet voor zorg en onderwijs, doch al
haar bijzondere krachten in dienst van het
vooruit helpen van de mens en de wereldwijde
broederschap toont, als zij in vrijheid kan
opereren. In niet weinig gevallen wordt die
vrijheid belemmerd door verboden en vervolgingen
of ook ingeperkt als de officiële aanwezigheid
van de Kerk wordt gelimiteerd tot slechts haar
liefdadige activiteiten. De tweede waarheid is
dat de ware ontwikkeling van de mens de
gehele persoon in al zijn dimensies betreft.16
Zonder uitzicht op een eeuwig leven ontbeert de
menselijke vooruitgang in deze wereld het
uiteindelijke perspectief. Als de vooruitgang
opgesloten blijft binnen de geschiedenis, loopt
die het gevaar beperkt te worden tot een toename
van bezit; zo verliest de mensheid de moed open
te staan voor een hoger goed, voor grote en
onbaatzuchtige initiatieven, waartoe de
universele naastenliefde aanspoort. De mens
ontwikkelt zich niet alleen op eigen kracht en
de ontwikkeling kan hem ook niet eenvoudigweg
van buitenaf gegeven worden. In de loop van de
geschiedenis heeft men dikwijls gedacht dat het
scheppen van instellingen genoeg zou zijn om de
mensheid de vervulling van het recht op
ontwikkeling te garanderen. Helaas heeft men in
zulke instellingen een overdreven vertrouwen
gesteld, alsof ze het verlangde doel automatisch
zouden kunnen bereiken. In werkelijkheid zijn de
instellingen alleen onvoldoende, want de
integrale ontwikkeling van de mens is vóór alles
een roeping en vereist bijgevolg van allen een
vrije en solidaire aanvaarding van
verantwoordelijkheid. Bovendien vereist zo’n
ontwikkeling een transcendente kijk op de
persoon, die God nodig heeft: zonder Hem wordt
de ontwikkeling ofwel geweigerd, ofwel alleen
aan de hand van de mens toevertrouwd, die zich
zelfverlossing gaat aanmatigen en ten slotte een
ontmenselijkte ontwikkeling bevordert. Overigens
stelt alleen de ontmoeting met God ons in staat,
“in de ander niet alleen de ander te zien”,17
doch in hem het goddelijke beeld te herkennen en
er zo toe te komen de ander werkelijk te
ontdekken en een liefde te laten rijpen die
“zorg om en voor de ander”18 wordt.
12. De band tussen Populorum progressio
en het Tweede Vaticaans Concilie betekent
geenszins een breuk tussen het leergezag van
Paus Paulus VI met betrekking tot sociale vragen
en dat van zijn voorgangers op de Stoel van
Petrus, want het Concilie is een verdieping van
deze leer in de continuïteit van het leven van
de Kerk.19 In dit opzicht dragen
bepaalde abstracte onderverdelingen van de
moderne sociale leer van de Kerk, die de sociale
uitspraken van de pausen indelen in categorieën
die daaraan vreemd zijn, niet bij tot
verheldering. Er zijn niet twee typologieën van
sociale leer, een preconciliaire en een
postconciliaire, doch er is slechts één
enige coherente en tegelijk steeds nieuwe leer.20
Het is goed als de bijzonderheden van de een of
andere encycliek, de leer van de een of andere
paus, worden geaccentueerd, maar men mag daarbij
nooit de coherentie van het gehele corpus van de
leer uit het oog verliezen.21
Coherentie betekent geen gesloten systeem, maar
veeleer dynamische trouw aan het ontvangen
Licht. De sociale leer van de Kerk belicht de
steeds weer opduikende nieuwe problemen met een
Licht dat niet verandert.22 Dat
garandeert zowel het altijd actuele als het
historische karakter van het leerstellige
“erfgoed”,23 dat met zijn specifieke
kenmerken deel uitmaakt van de altijd levende
overlevering van de Kerk.24 De
sociale leer van de Kerk is gebouwd op het
fundament dat de apostelen hebben doorgegeven
aan de kerkvaders en dat dan door de grote
christelijke leermeesters is opgenomen en
verdiept. Deze leer grijpt uiteindelijk terug op
de nieuwe mens, op de “laatste Adam”, die “een
levendmakende geest” werd (1 Kor. 15,45) en de
oorsprong is van de liefde die “nimmer vergaat”
(1 Kor. 13,8). De heiligen en allen die op het
terrein van gerechtigheid en vrede hun leven
voor Christus, de Verlosser, hebben gegeven,
getuigen ervan. Hierin komt de profetische
opgave van de pausen tot uitdrukking, om de Kerk
van Christus apostolisch te leiden en de telkens
nieuwe eisen van de evangelisatie te herkennen.
Daarom heeft de in de grote stroom van de
overlevering ingebedde encycliek Populorum
progressio ons vandaag de dag nog iets te
zeggen.
13. Afgezien van de belangrijke band met de
gehele sociale leer van de Kerk is de encycliek
Populorum progressio nauw verbonden met
het gehele leergezag van Paus Paulus VI en in
het bijzonder met zijn leergezag wat betreft
sociale vragen. Zijn onderricht over dit thema
was van groot belang: hij beklemtoonde de
absoluut noodzakelijke rol van het evangelie
voor de opbouw van een samenleving wat betreft
vrijheid en gerechtigheid, in het geestelijk en
historisch perspectief van een door liefde
geïnspireerde beschaving. Paus Paulus VI besefte
duidelijk dat de sociale kwestie wereldomvattend
geworden was,25 en zag de innerlijke
overeenkomst tussen de drang te komen tot een
vereniging van de mensheid en het christelijke
ideaal van één enkele in algemene broederschap
solidaire familie van de volkeren. Hij
duidde de menselijk en christelijk begrepen
ontwikkeling aan als het hart van de
christelijke sociale leer en stelde de
christelijke liefde voor als de voornaamste
kracht in dienst van de ontwikkeling daarvan.
Bewogen door de wens de liefde van Christus voor
de mens van vandaag geheel zichtbaar te maken,
stelde Paus Paulus VI vastberaden belangrijke
ethische vragen aan de orde, zonder toe te geven
aan de culturele zwakheden van zijn tijd.
14. Met de Apostolische Brief Octogesima
adveniens van 1971 stelde Paus Paulus VI
dan de bedoeling van de politiek aan de orde, en
het gevaar van utopische en ideologische
visioenen, die de ethische en menselijke
kwaliteiten daarvan in gevaar brengen. Het gaat
om argumenten die nauw verbonden zijn met de
ontwikkeling. Helaas blijven de negatieve
ideologieën bloeien. Voor de technocratische
ideologie, die vandaag de dag wijdverbreid is,
heeft Paus Paulus VI al gewaarschuwd,26
wel wetend dat het heel gevaarlijk is het
integrale ontwikkelingsproces alleen aan de
techniek over te laten, want op die manier zou
dit proces geen oriëntatie hebben. Techniek, op
zich genomen, is ambivalent. Terwijl vandaag de
dag enerzijds de neiging bestaat aan de techniek
het genoemde ontwikkelingsproces volledig toe te
vertrouwen, zien we anderzijds de opkomst van
ideologieën die het nut van ontwikkeling
helemaal loochenen, omdat zij die fundamenteel
antimenselijk vinden en menen dat die tot
algemeen verval zal leiden. Zo veroordeelt men
uiteindelijk niet alleen de verwrongen en
onjuiste wijze waarop de mensen soms richting
geven aan de vooruitgang, maar ook de
wetenschappelijke ontdekkingen zelf, die
daarentegen, als ze goed gebruikt worden, voor
allen een kans vormen om te groeien. Het idee
van een wereld zonder ontwikkeling drukt
wantrouwen jegens de mens en jegens God uit. Het
is dan ook een ernstige vergissing de menselijke
mogelijkheden te geringschatten om de uitwassen
van de ontwikkeling onder controle te houden, of
zelfs voorbij te zien aan het feit dat de mens
van nature streeft naar “meer zijn”. Het
ideologisch verabsoluteren van de technische
vooruitgang of de utopie van een mensheid die is
teruggekeerd naar de oorspronkelijke natuurlijke
toestand, zijn twee tegengestelde manieren om de
vooruitgang te scheiden van de morele
beoordeling, en daarmee van onze
verantwoordelijkheid.
15. Twee andere documenten van Paus Paulus VI,
die niet direct samenhangen met de sociale leer
– de encycliek Humanae vitae van 25
juli 1968 en de Apostolische Exhortatie
Evangelii nuntiandi van 8 december 1975 –
zijn zeer belangrijk voor de beschrijving van
het volkomen menselijke gehalte van de door
de Kerk voorgestelde ontwikkeling. Het is
dan ook zinvol deze beide teksten in verband met
Populorum progressio te lezen.
De encycliek Humanae vitae onderstreept
de dubbele betekenis van seksualiteit als middel
tot vereniging en tot voortplanting en baseert
daarmee de samenleving op het fundament van het
echtpaar, man en vrouw, die elkaar aanvaarden in
hun verschillend zijn en in hun
complementariteit, een paar dat dus open staat
voor het leven.27 Dit is geen kwestie
van alleen individuele moraal: Humanae vitae
toont de sterke samenhang die er
bestaat tussen de ethiek van het leven en de
sociale ethiek en heeft daarmee het begin
gemarkeerd van een thematiek van het leergezag,
die langzamerhand in verscheidene documenten
vorm heeft gekregen, het laatst in de encycliek
Evangelium vitae van Paus Johannes
Paulus II.28 De Kerk legt de nadruk
op deze samenhang tussen de ethiek van het leven
en de sociale ethiek, want zij weet: “Een
samenleving kan geen zekere grondvesten hebben
wanneer zij aan de ene kant waarden zoals de
waardigheid van de persoon, gerechtigheid en
vrede handhaaft, maar zichzelf aan de andere
kant fundamenteel tegenspreekt door allerlei
vormen van minachting en schending van het
menselijk leven te accepteren of te dulden, met
name als het om zwak of gemarginaliseerd leven
gaat”.29
De Apostolische Exhortatie Evangelii
nuntiandi is zeer nauw verbonden met de
ontwikkeling, want “de evangelisatie zou niet
volkomen zijn”, zo schreef Paus Paulus VI, “als
zij er geen rekening mee zou houden dat in de
loop van de tijd het evangelie en het concrete,
persoonlijke en gemeenschappelijke leven van de
mens elkaar wederzijds uitdagen”.30
“Tussen evangelisatie en menselijke vooruitgang
– ontwikkeling en bevrijding – bestaan inderdaad
nauwe banden”:31 Uitgaande van dit
inzicht zette Paus Paulus VI de relatie tussen
de verkondiging van Christus en de vooruitgang
van de mens in de samenleving duidelijk uiteen.
Het getuigenis voor Christus door werken van
gerechtigheid, van vrede en van ontwikkeling
behoort tot de evangelisatie, want Jezus
Christus, Die ons liefheeft, is begaan met de
gehele mens. Op deze belangrijke leerstukken
berust het missionaire aspect 32 van
de sociale leer van de Kerk, als wezenlijk
element van de evangelisatie.33 De
sociale leer van de Kerk is geloofsverkondiging
en getuigenis van het geloof. Zij is instrument
en onmisbare plaats voor geloofsopvoeding.
16. In de encycliek Populorum progressio
wilde Paus Paulus VI ons bovenal zeggen dat
vooruitgang in oorsprong en wezen een
roeping is: “Volgens Gods plan is iedere
mens geroepen om zichzelf te ontwikkelen, omdat
God aan het leven van iedere mens een bepaalde
roeping heeft meegegeven”.34 Precies
dit feit rechtvaardigt het ingrijpen van de Kerk
in de problematiek van de ontwikkeling. Als het
alleen om technische aspecten van het menselijk
leven zou gaan en de mens noch aan de zin van
zijn vordering door de geschiedenis samen met
zijn medemensen, noch aan het doel van deze weg,
aandacht zou schenken, dan zou de Kerk geen
recht hebben over deze dingen te spreken. Paus
Paulus VI was zich – zoals ook reeds zijn
voorganger Paus Leo XIII, in de encycliek
Rerum novarum35 – ervan bewust
dat hij een plicht vervulde die aan zijn ambt
eigen was, door het Licht van het evangelie over
de sociale vraagstukken van zijn tijd te laten
schijnen. 36
Als men zegt dat ontwikkeling een roeping
is, dan betekent dat van de ene kant de
erkenning dat deze roeping voortkomt uit een
transcendente roep en van de andere kant dat
deze niet in staat is zichzelf uiteindelijke zin
te geven. Niet zonder reden komt het woord
“roeping” ook op een andere plaats in de
encycliek voor, waar we lezen: “Er bestaat dus
geen echt humanisme dan dat wat op God gericht
is, en wat de verantwoordelijkheid erkent
waartoe wij zijn geroepen en waardoor het
menselijk leven eerst werkelijk zin krijgt”.37
Deze kijk op ontwikkeling is het hart van
Populorum progressio en is de motivatie
voor alle overwegingen van Paus Paulus VI over
de vrijheid, de waarheid en de liefde in de
ontwikkeling. Dat is ook de voornaamste reden
waarom deze encycliek in onze dagen nog steeds
actueel is.
17. Een roeping is een appel die een vrij en
verantwoordelijk antwoord vraagt. De
integrale menselijke ontwikkeling vooronderstelt
de verantwoordelijke vrijheid van de
persoon en van de volken: geen structuur die de
menselijke verantwoordelijkheid negeert of zich
daar boven stelt kan deze ontwikkeling
garanderen. “Heilsverwachtingen”, die rijk zijn
aan “mooie maar misleidende beloften” van een
droomwereld,38 baseren hun eigen
voorstellen altijd op de ontkenning van de
transcendente dimensie van de ontwikkeling, in
de zekerheid dat deze hun geheel ter beschikking
staat. Deze valse zekerheid verandert in zwakte,
omdat die leidt tot de onderdrukking van de
mens, die wordt gereduceerd tot een middel voor
de ontwikkeling, terwijl de nederigheid van
degene die een roeping aanneemt wordt omgevormd
tot ware autonomie, omdat deze de mens vrij
maakt. Paus Paulus VI betwijfelt niet dat
obstakels en bepaalde feiten de ontwikkeling
remmen, maar hij is er ook zeker van dat
“iedereen zelf de voornaamste
verantwoordelijkheid voor zijn persoonlijk
welslagen of falen [behoudt], hoe groot ook de
invloeden zijn die van buitenaf op hem
inwerken”.39 Deze vrijheid betreft de
ontwikkeling waarover wij het hebben, maar ook
situaties van onderontwikkeling die niet het
gevolg zijn van toeval of een historische
noodzaak, maar van menselijke
verantwoordelijkheid. Daarom doen “de hongerende
volken vandaag een dramatisch beroep op de
volken die in overvloed leven”.40 Ook
dat is roeping, een appel van vrije mensen
gericht tot vrije mensen om gezamenlijk
verantwoordelijkheid te nemen. Paus Paulus VI
had een sterk besef van het belang van
economische structuren en instellingen, maar hij
had een even sterk besef van het feit dat ze in
wezen werktuigen van de menselijke vrijheid
zijn. De ontwikkeling kan alleen geheel
menselijk zijn, als deze vrij is; alleen in
verhoudingen van verantwoordelijke vrijheid kan
de ontwikkeling op passende wijze groeien.
18. Behalve de aanspraak op vrijheid vereist
de integrale menselijke ontwikkeling als roeping
ook dat de waarheid ervan geëerbiedigd wordt.
De roeping tot vooruitgang spoort de mens aan
tot “meer werken, leren, bezitten, om daardoor
meer te zijn”.41 Maar dan stelt zich
de vraag: wat wil dat zeggen: “meer zijn”? Op
die vraag antwoordt Paus Paulus VI door te
verwijzen naar het essentiële kenmerk van de
“authentieke ontwikkeling”; die moet “integraal
zijn, dat wil zeggen: bijdragen tot de
ontwikkeling van iedere mens en van heel de
mens”.42 In de concurrentiestrijd
tussen de verschillende opvattingen over de
mens, waarvan er in de huidige samenleving nog
meer zijn dan ten tijde van Paus Paulus VI,
heeft de christelijke zienswijze de bijzondere
eigenschap de onvervreemdbare waarde van de mens
en de betekenis van zijn groei te bekrachtigen
en te rechtvaardigen. Paus Paulus VI schrijft:
“Wat voor ons telt, is de mens, iedere mens,
iedere groep van mensen, en de mensheid in haar
geheel”.43 Het christelijk geloof
bekommert zich om ontwikkeling zonder te
vertrouwen op privileges of machtsposities, en
zelfs niet op de verdiensten van Christenen, ook
al zijn die er geweest en zijn ze er nu ook nog
– hoewel er ook menselijke fouten worden
gemaakt.44 Het geloof steunt eerder
alleen op Christus, op Wie iedere echte roeping
tot integrale menselijke ontwikkeling is terug
te voeren. Het evangelie is fundamenteel
voor ontwikkeling, want daarin maakt
Christus “door de openbaring van het mysterie
van de Vader en Diens liefde de mens voor
zichzelf duidelijk”.45 Onderwezen
door haar Heer onderzoekt de Kerk de tekenen van
de tijd, legt ze uit en biedt de wereld “wat
haar uniek eigendom is: een alomvattende visie
op de mens en de menselijke situatie”.46
Juist omdat God het grote “Ja” tegen de mens
spreekt,47 kan de mens er niet van
afzien zich te openen voor de goddelijke roeping
om de eigen ontwikkeling te verwerkelijken. De
waarheid van de ontwikkeling bestaat in de
volkomenheid ervan: als ontwikkeling niet de
gehele mensheid en iedere mens betreft is er
geen sprake van ware ontwikkeling. Dat is de
centrale boodschap van Populorum progressio,
die vandaag en altijd geldt. De integrale
ontwikkeling van de mens op het natuurlijke vlak
als antwoord op een roeping van God de Schepper48
vraagt om een verwerkelijking in een “humanisme,
dat [de] natuur [van de mens] overstijgt en dat
hem de hoogste volheid van leven verleent; en
dat is het uiteindelijke doel van de
persoonlijke ontwikkeling”.49 De
christelijke roeping tot deze ontwikkeling
betreft zowel het natuurlijke als ook het
bovennatuurlijke vlak; daarom geldt: “Als God
wordt verduisterd, verdwijnt geleidelijk aan ons
vermogen de natuurlijke orde, het doel daarvan
en het ‘goede’ te herkennen”.50
19. Tenslotte vereist de kijk op ontwikkeling
als roeping dat de liefde centraal staat.
Paus Paulus VI stelde in de encycliek
Populorum progressio vast dat de oorzaken
van onderontwikkeling niet op de eerste plaats
van materiële aard zijn. Hij heeft ons
opgeroepen deze in andere dimensies van het
mens-zijn te zoeken: bovenal in de wil, die de
plichten van de solidariteit dikwijls
verwaarloost; op de tweede plaats in het denken,
dat de wil niet altijd op de juiste wijze
richting geeft. Daarom zou de ontwikkeling
begeleid moeten worden door “wijze en scherp
denkende mensen, op zoek naar een nieuw
humanisme dat de moderne mens in staat moet
stellen zichzelf terug te vinden”.51
Maar dat is niet alles. De onderontwikkeling
heeft een oorzaak die nog belangrijker is dan de
ontoereikendheid van het denken: “het feit dat
het ontbreekt aan broederschap tussen de mensen
en tussen de volkeren”.52 Kunnen de
mensen een dergelijke broederschap ooit op eigen
kracht bereiken? De steeds meer geglobaliseerde
samenleving maakt ons tot buren, maar niet tot
broeders en zusters. De rede is op zichzelf in
staat de gelijkheid onder de mensen te vatten en
een burgermaatschappij te vestigen, maar de rede
kan geen broederlijkheid tot stand brengen. De
oorsprong daarvan ligt namelijk in een
transcendente roeping door God de Vader, Die ons
het eerst heeft liefgehad en ons door de Zoon
leert wat broederlijke liefde is. In zijn
weergave van de verschillende niveaus van het
ontwikkelingsproces van de mens vermeldt Paus
Paulus VI eerst het geloof, en daarna stelt hij
voorop “de eenheid in de liefde van Christus,
die ons roept om als kinderen deel te hebben aan
het leven van de levende God, Vader van alle
mensen”. 53
20. Deze door Populorum progressio
geopende perspectieven blijven fundamenteel om
onze inzet voor de ontwikkeling van de volken
elan en richting te verlenen. De encycliek
onderstreept daarnaast steeds opnieuw de
urgentie van hervormingen54 en
roept dan op, met het oog op de grote problemen
van onrecht in de ontwikkeling van de volken,
moedig en zonder aarzelen te handelen. Ook
liefde in waarheid schrijft deze urgentie voor.
Het is de liefde van Christus die ons geen rust
laat: “caritas Christi urget nos” (2 Kor. 5,14).
De urgentie wordt niet alleen veroorzaakt door
de omstandigheden en volgt niet alleen uit het
feit dat de gebeurtenissen en problemen elkaar
razendsnel opvolgen, maar ook uit datgene wat op
het spel staat: de verwezenlijking van een echte
broederlijkheid. Dit doel is zo belangrijk dat
het onze ontvankelijkheid eist, opdat wij het
ten diepste begrijpen en ons concreet en “van
ganser harte” ervoor inzetten dat de huidige
economische en sociale processen tot werkelijk
menselijke resultaten leiden.
HOOFDSTUK II: DE ONTWIKKELING VAN DE MENS IN
ONZE TIJD
21. Paus Paulus VI had een genuanceerde kijk
op ontwikkeling. Met het begrip
“ontwikkeling” wilde hij het doel aanduiden om
de volken voor alles te helpen bij het
overwinnen van honger, ellende, endemische
ziekten en analfabetisme. Dat betekende vanuit
economisch standpunt hun actieve deelname aan
het economische proces, op basis van gelijkheid;
vanuit sociaal standpunt hun ontwikkeling tot
beschaafde en solidaire samenlevingen; vanuit
politiek standpunt de consolidering van
democratische regimes, die in staat zijn
vrijheid en vrede zeker te stellen. Terwijl wij
nu, na vele jaren, met zorg naar de
ontwikkelingen en naar de perspectieven van de
opeenvolgende crisissen kijken, vragen wij
ons af in hoeverre de verwachtingen van Paus
Paulus VI door het tijdens de laatste
decennia toegepaste ontwikkelingsmodel in
vervulling zijn gegaan. Wij erkennen aldus
dat de vrees van de Kerk, wat betreft de
capaciteiten van de puur technisch georiënteerde
mens om zich realistische doelen te stellen en
de beschikbare middelen op passende wijze te
gebruiken, gegrond was. Winst is nuttig als
middel tot een doel dat zin verleent aan zowel
de wijze van het verkrijgen als aan het gebruik
ervan. Het exclusief gericht zijn op winst
loopt, als die op onjuiste wijze wordt verkregen
en het einddoel niet het algemeen welzijn is,
het gevaar bezit te vernietigen en armoede
teweeg te brengen. De door Paus Paulus VI
verlangde economische ontwikkeling zou zo
gericht moeten zijn dat een echte, tot iedereen
uit te breiden en werkelijk duurzame groei tot
stand wordt gebracht. Het is waar dat
ontwikkeling een positieve factor was en nog
steeds is, die miljarden mensen uit de ellende
bevrijd heeft en gedurende de laatste tijd veel
landen de mogelijkheid gegeven heeft om
effectieve partners in de internationale
politiek te worden. Men moet echter toegeven dat
diezelfde economische ontwikkeling door
vervormingen en dramatische problemen
belast was en nog steeds is, en dat die
tengevolge van de huidige crisissituatie nog
meer op de voorgrond treden. Dit stelt ons voor
beslissingen die niet uitgesteld kunnen worden
en die in toenemende mate de bestemming
betreffen van de mens zelf, waarbij deze
overigens zijn natuur niet buiten beschouwing
kan laten. De technische krachten die in het
spel zijn, de wereldwijde onderlinge
betrekkingen, de schadelijke gevolgen voor de
reële economie van slecht uitgevoerde en
hoofdzakelijk speculatieve financiële
handelingen, de aanzienlijke, vaak
teweeggebrachte en daarna slecht begeleide
stromen van migranten, evenals de
ongecontroleerde exploitatie van de natuurlijke
hulpbronnen – dat alles noopt ons er vandaag de
dag toe na te denken over de noodzakelijke
maatregelen voor de oplossing van problemen die,
in vergelijking met de problemen die Paus Paulus
VI aan de orde stelde, niet alleen nieuw zijn
maar ook en bovenal een beslissende invloed
hebben op het huidige en toekomstige welzijn van
de mensheid. De aspecten van de crisis en de
oplossing daarvoor, evenals die van een
toekomstige nieuwe mogelijke ontwikkeling, zijn
steeds meer met elkaar verbonden; ze
veronderstellen elkaar en vereisen nieuwe
pogingen om te komen tot gezamenlijk begrip en
een nieuwe humanistische synthese. De
complexiteit en de ernst van de huidige
economische crisis maakt ons terecht bezorgd,
maar toch moeten we met realisme, vertrouwen en
hoop de nieuwe verantwoordelijkheden op ons
nemen, waartoe we geroepen worden door het
scenario van een wereld die behoefte heeft aan
een ingrijpende culturele vernieuwing en de
herontdekking van fundamentele waarden, waarop
een betere toekomst gebouwd kan worden. De
crisis verplicht ons onze weg opnieuw te
ontwerpen, onszelf nieuwe regels te stellen en
nieuwe vormen van inzet te vinden, aan te sturen
op positieve ervaringen en de negatieve te
verwerpen. Zo wordt de crisis aanleiding tot
inzicht en een nieuw ontwerp. In deze
grondhouding van vertrouwen – eerder dan
berusting – moeten de moeilijkheden van het
heden aangepakt worden.
22. Vandaag de dag is het kader van de
ontwikkeling policentrisch. De handelende
personen en de oorzaken in zowel de
onderontwikkeling alsook de ontwikkeling zijn
veelvormig; schuld en verdienste moeten van
elkaar worden onderscheiden. Dit gegeven zou er
ons toe moeten aansporen ons te bevrijden van de
ideologieën die op dikwijls gekunstelde wijze
proberen de werkelijkheid te vereenvoudigen, en
er ons juist toe brengen objectief de menselijke
complexiteit van de problemen te onderzoeken. De
scheidslijn tussen rijke en arme landen is niet
meer zo duidelijk als ten tijde van de encycliek
Populorum progressio; daar heeft Paus
Johannes Paulus II al op gewezen.55
Absoluut gezien neemt de wereldwijde rijkdom
toe, maar de ongelijkheden worden groter.
In rijke landen verarmen nieuwe sociale klassen
en ontstaan nieuwe vormen van armoede. In armere
gebieden verheugen sommige groepen zich in een
soort verkwistende en op consumeren gerichte
superontwikkeling, die in onaanvaardbare
tegenstelling staat tot de aanhoudende situaties
van mensonterende ellende. “De schandalige
ongelijkheid”56 houdt aan. Het gedrag
van economische en politieke vertegenwoordigers
van oude en nieuwe rijke landen vertoont helaas
corruptie en illegaliteit, evenals dat in de
arme landen zelf het geval is. Dikwijls zijn het
grote transnationale ondernemingen, maar ook
plaatselijke productiegroepen die de
mensenrechten van de arbeiders niet eerbiedigen.
Internationale hulpverlening wordt dikwijls door
de onverantwoordelijkheid in zowel de keten van
gevers als ook in die der begunstigden aan de
eigenlijke bestemming onttrokken. Ook op het
terrein van de niet-materiële of culturele
oorzaken van ontwikkeling, dan wel
onderontwikkeling, kunnen we dezelfde verdeling
van verantwoordelijkheid vinden. Er is aan de
kant van rijke landen sprake van overdreven
vormen van bescherming van kennis, door een al
te strenge toepassing van het recht op
geestelijk eigendom, in het bijzonder op het
gebied van de gezondheidszorg. Tegelijkertijd
blijven in enkele arme landen culturele modellen
en sociale verhoudingen voortbestaan, die het
ontwikkelingsproces afremmen.
23. Vele gebieden van de aarde hebben zich
vandaag de dag, zij het ook op problematische en
niet homogene wijze, verder ontwikkeld en zijn
binnengetreden in de kring van de grootmachten,
die ertoe bestemd zijn in de toekomst een
belangrijke rol te spelen. Het moet echter
worden onderstreept dat vooruitgang op alleen
economisch en technologisch gebied niet
voldoende is. Het is noodzakelijk dat de
ontwikkeling bovenal echt en integraal is. Het
ontkomen aan de economische
ontwikkelingsachterstand, op zich een positief
gegeven, is geen oplossing voor de complexe
problematiek van de vooruitgang van de mens,
noch voor de onmiddellijk bij deze vooruitgang
betrokken landen, noch voor de economisch reeds
ontwikkelde landen, en ook niet voor de nog arme
landen, die niet alleen kunnen lijden onder de
oude vormen van uitbuiting, maar ook onder de
negatieve gevolgen van een door
onregelmatigheden en onevenwichtigheden
gekenmerkte groei.
Na de ineenstorting van de economische en
politieke systemen van de communistische landen
van Oost-Europa en het einde van de zogenaamde
“tegenover elkaar staande blokken” zou een
alomvattend heroverweging van ontwikkeling nodig
zijn geweest. Daartoe had Paus Johannes Paulus
II opgeroepen, die in 1987 het bestaan van deze
“blokken” als een van de hoofdoorzaken van de
onderontwikkeling had aangewezen57,
waar de politiek geld onttrok aan de economie en
aan de cultuur, en de ideologie de vrijheid
belemmerde. In het jaar 1991, na de
gebeurtenissen van 1989, eiste hij ook dat een
globaal nieuw ontwerp hand in hand zou moeten
gaan met het einde van de “blokken”, en niet
alleen in de betrokken landen, maar ook in het
westen en in die delen van de wereld waar de
ontwikkeling in volle gang was.58 Dat
is echter slechts ten dele gebeurd en blijft een
echte verplichting waaraan voldaan moet worden,
doordat men misschien juist voordeel trekt uit
de noodzakelijke beslissingen om de huidige
economische problemen te boven te komen.
24. Ofschoon men toen reeds, gegeven de
gevorderde processen van socialisering, van een
wereldwijde sociale vraag kon spreken, was de
wereld die Paus Paulus VI voor zich had nog veel
minder aaneengegroeid dan de huidige.
Economische en politieke activiteiten speelden
zich grotendeels af binnen dezelfde grenzen en
konden daarom op elkaar rekenen. De productieve
activiteit vond voornamelijk plaats binnen de
nationale grenzen, en de financiële
investeringen hadden slechts een beperkte
circulatie in het buitenland, zodat de politiek
van veel staten nog de prioriteiten van de
economie kon vaststellen, en met de hun nog ter
beschikking staande middelen de ontwikkeling
daarvan in zekere mate kon regelen. Op grond
daarvan kende Populorum progressio aan
de “burgerlijke overheid”59 een
centrale, zij het niet exclusieve taak toe.
In onze tijd wordt de staat geconfronteerd met
de situatie zich bezig te moeten houden met de
beperkingen die de nieuwe economisch-commerciële
en financiële context aan de soevereiniteit van
de staat oplegt – een context die zich ook
onderscheidt door een toenemende mobiliteit van
het financieringskapitaal, evenals van de
materiële en de niet-materiële
productiemiddelen. Deze nieuwe context heeft de
politieke macht van de staten veranderd.
Vandaag de dag – ook onder de indruk van de les
die de huidige economische crisis ons leert,
waarbij de burgerlijke overheid direct
bezig is met het corrigeren van vergissingen en
wanbeleid – lijkt een nieuwe evaluatie
van de rol en de macht van de staat
realistischer. Beide moeten verstandig overwogen
en beoordeeld worden, zodat de staten weer de
mogelijkheid hebben – ook door nieuwe vormen van
betrokkenheid – de uitdagingen van de huidige
wereld aan te pakken. Met een evenwichtiger rol
van de burgerlijke overheid kan men ervan
uitgaan dat die nieuwe vormen van deelname aan
de nationale en internationale politiek
versterkt worden, die door de activiteit van in
de burgermaatschappij werkende organisaties tot
stand komen. Het is te wensen dat er op deze
manier een dieper ervaren opmerkzaamheid en
deelname van de burgers aan de res publica
mag groeien.
25. Vanuit het sociale gezichtspunt hebben
zorginstellingen, die er ten tijde van Paus
Paulus VI reeds in vele landen waren, moeite –
en in de toekomst zou dat nog moeilijker kunnen
worden – hun doelen van waarachtige sociale
gerechtigheid in een ten diepste veranderd
krachtenspel na te streven. De globaal geworden
markt heeft op de eerste plaats bij de rijke
landen het zoeken gestimuleerd naar gebieden
waar de kosten van de productie sterk verlaagd
kunnen worden, om de prijzen van veel goederen
te verlagen, de koopkracht te vergroten en
daarmee de op vermeerderde consumptie gebaseerde
groeicijfers van de eigen binnenlandse markt te
verhogen. Als gevolg daarvan heeft de markt
nieuwe vormen van competitie tussen de staten
aangemoedigd, die beogen met verschillende
middelen – waaronder gunstige fiscale
voorwaarden en deregulering van de arbeidsmarkt
– productiecentra van buitenlandse ondernemingen
aan te trekken. Deze processen hebben ertoe
geleid dat het zoeken naar grotere
concurrentievoordelen op de wereldmarkt betaald
is met een vermindering van het netwerk van
sociale zekerheid. Dit brengt de rechten
van de arbeiders, de fundamentele mensenrechten
en de solidariteit, gerealiseerd in traditionele
vormen van de verzorgingsstaat, ernstig in
gevaar. De systemen van sociale zekerheid kunnen
zo de mogelijkheid verliezen hun taak te
vervullen, en niet alleen in de arme landen maar
ook in de jonge industrielanden en in de reeds
lang ontwikkelde landen. Hier kan de
begrotingspolitiek, met reductie van sociale
uitgaven, waartoe dikwijls door de
internationale financiële instellingen wordt
aangezet, de burgers machteloos maken ten
opzichte van oude en nieuwe risico’s; deze
machteloosheid wordt door het ontbreken van een
effectieve bescherming door verenigingen van
arbeidnemers nog vergroot. De combinatie van de
sociale en economische veranderingen zorgt
ervoor dat de vakbonden bij de uitoefening van
hun taak op grotere moeilijkheden stuiten, ook
omdat regeringen op grond van het economisch
belang dikwijls de vrijheid of de
onderhandelingsmogelijkheden van de vakbonden
zelf inperken. Zo moeten de traditionele
netwerken van solidariteit groeiende obstakels
overwinnen. Het voorstel van de kant van de
sociale leer van de Kerk – begonnen met de
encycliek Rerum novarum60 –
om verenigingen van arbeidnemers ter verdediging
van eigen rechten in het leven te roepen, zou
daarom vandaag de dag nog meer nagekomen moeten
worden dan vroeger, waardoor men bovenal een
onmiddellijk en vooruitziend antwoord geeft op
de dringende noodzaak nieuwe vormen van
samenwerking in te voeren, niet alleen op
plaatselijk maar ook op internationaal niveau.
De arbeidsmobiliteit is in verband met
de wijdverbreide deregulering een belangrijk
verschijnsel geweest, niet zonder positieve
aspecten, want daardoor kan de productie van
nieuw vermogen en de uitwisseling tussen
verschillende culturen gestimuleerd worden. Als
echter onzekerheid aangaande arbeidsvoorwaarden
tengevolge van processen van mobiliteit en
deregulering om zich heen grijpt, ontstaan er
vormen van psychologische instabiliteit en
moeilijkheden bij het ontwikkelen van eigen
consequente levensplanning, ook met het oog op
het huwelijk. Dit leidt niet alleen tot
situaties van verspilling van sociale
mogelijkheden maar ook tot menselijke
achteruitgang. Vergelijkt men dit met wat er in
het verleden in de industriële samenleving is
gebeurd, dan ziet men hoe de werkloosheid
vandaag de dag nieuwe aspecten van economische
irrelevantie uitlokt en de huidige crisis kan de
situatie alleen nog maar doen verslechteren.
Langdurig werkloos zijn of langere tijd
afhankelijk zijn van publieke of particuliere
hulp ondergraaft de vrijheid en de creativiteit
van de persoon, evenals zijn familiebetrekkingen
en sociale relaties, wat zwaar lijden op het
psychologische en geestelijke vlak met zich
meebrengt. Allen, en in het bijzonder de
bestuurders, die bezig zijn de economische en
sociale orde van de wereld een vernieuwd gezicht
te geven, zou ik in herinnering willen roepen
dat het eerste te beschermen en te benutten
kapitaal de mens is, de persoon in zijn
totaliteit – “want de mens is de ontwerper,
het centrum en doel van het gehele
sociaal-economisch leven”.61
26. Op het culturele vlak is het verschil in
vergelijking met de tijd van Paus Paulus VI nog
markanter. Toen waren de culturen redelijk goed
omschreven en hadden betere kansen om zich te
beschermen tegen pogingen tot culturele
homogenisering. Vandaag de dag zijn de
mogelijkheden van wisselwerking tussen de
culturen aanzienlijk toegenomen en geven
ruimte voor nieuwe perspectieven van de
interculturele dialoog – een dialoog die, om
effectief te zijn, van de verschillende
gesprekspartners als uitgangspunt het diepe
bewustzijn van hun specifieke identiteit
vereist. Daarbij mag men echter niet buiten
beschouwing laten dat de toenemende
commercialisering van de uitwisseling van
cultuur een tweevoudig gevaar in de hand werkt.
Op de eerste plaats zien we een veelvuldig
onkritisch aanvaard cultureel eclecticisme:
culturen worden eenvoudigweg naast elkaar
geplaatst en als werkelijk gelijkwaardig en
onderling inwisselbaar beschouwd. Dat bevordert
het afglijden in een relativisme dat weinig
bevorderlijk is voor de ware interculturele
dialoog; op het sociale vlak veroorzaakt het
culturele relativisme een gescheiden naast
elkaar leven van de culturele groepen zonder
echte dialoog en daarom zonder werkelijke
integratie. Op de tweede plaats is er het
tegenovergestelde gevaar, dat bestaat uit
culturele vervlakking en het op één lijn
plaatsen van gedragingen en levensstijlen. Op
deze manier gaat de diepe betekenis verloren van
de cultuur van de verschillende naties en de
tradities van de verschillende volken,
waarbinnen de mens zich met de basisvragen van
het bestaan bezig houdt.62
Eclecticisme en culturele nivellering lopen
beide uit op de scheiding van cultuur en
menselijke natuur. Zo kunnen de culturen hun
grootte niet meer vinden in een natuur die hen
overstijgt,63 en reduceren de mens
tenslotte tot niet meer dan een cultureel
verschijnsel. Als dat gebeurt, loopt de mensheid
opnieuw het gevaar van afhankelijkheid en
manipulatie.
27. In veel arme landen houdt als gevolg van de
voedselschaarste de extreme onzekerheid van het
leven aan en dat zou nog erger kunnen worden:
honger eist nog talloze slachtoffers
onder de vele mensen aan wie het, evenals
Lazarus, niet toegestaan is met de rijke aan
dezelfde tafel te zitten – wat Paus Paulus VI
wel gewenst had.64 De hongerigen
te eten geven (vgl. Mat. 25,35,37,42) is
een ethische verplichting voor de Wereldkerk,
die overeenstemt met de leer van haar Stichter
Jezus Christus aangaande solidariteit en delen.
Bovendien is het uit de wereld helpen van de
honger in het tijdperk van de globalisering ook
een doel geworden, dat noodzakelijkerwijs moet
worden nagestreefd om de vrede en de stabiliteit
op aarde te bewaren. Honger hangt minder af van
een materieel tekort dan van een tekort aan
sociale hulpmiddelen, waarvan de belangrijkste
institutioneel zijn. Dat betekent dat er een
systeem van economische instellingen ontbreekt,
dat in staat is de juiste toegang tot water en
voedingsmiddelen te garanderen, en tevens de
knelpunten te overwinnen, die verband houden met
basisbehoeften en de noodsituaties die ontstaan
bij werkelijke voedselcrisissen – crisissen die
natuurlijke oorzaken kunnen hebben of ook door
nationale en internationale politieke
onverantwoordelijkheid kunnen zijn ontstaan. Het
probleem op het gebied van de onzekerheid van de
voedselvoorziening moet in een perspectief op
lange termijn worden aangepakt, door de
structurele oorzaken ervan uit de wereld te
helpen en de agrarische ontwikkeling van de
armste landen te bevorderen. Dat kan gebeuren
door investeringen in de landelijke
infrastructuur, in irrigatiesystemen, in
transport, het organiseren van markten, de
opbouw en verbreiding van geschikte agrarische
technologie. Het kan ook gebeuren door
investeringen die geschikt zijn om de
menselijke, natuurlijke en socio-economische
hulpbronnen, die plaatselijk het gemakkelijkst
bereikbaar zijn, op de best mogelijke wijze te
benutten, zodat de duurzaamheid van deze
investeringen ook op lange termijn gewaarborgd
is. Dat alles moet verwezenlijkt worden door de
plaatselijke gemeenschappen te betrekken bij de
keuze van het akkerland en de beslissingen
aangaande het gebruik ervan. Vanuit dit
gezichtspunt zou het nuttig kunnen zijn de
nieuwe mogelijkheden te overwegen, die door
juist gebruik van zowel de traditionele als ook
de innovatieve agrarische productietechnieken
ontstaan, op voorwaarde dat de laatstgenoemde na
adequate toetsing als doelmatig,
milieuvriendelijk en voor de meest benadeelde
bevolkingsgroepen als nuttig erkend worden.
Tegelijkertijd moet de vraag naar een
rechtvaardige agrarische hervorming in de
ontwikkelingslanden niet verwaarloosd worden.
Het recht op voedsel, evenals het recht op
water, speelt een belangrijke rol bij het
verwerven van andere rechten, bovenal het
fundamentele recht op leven. Daarom is het
noodzakelijk dat er een solidair bewustzijn
ontstaat, dat voedsel en de toegang tot
water als algemene rechten van alle mensen
beschouwt, zonder onderscheid of discriminatie.65
Bovendien is het belangrijk te verduidelijken
hoe de weg van solidariteit met de arme landen
een project voor de oplossing van de huidige
wereldwijde crisis kan blijken te zijn; politici
en verantwoordelijken van internationale
instellingen hebben dat de laatste tijd
begrepen. Als men door middel van solidair
georganiseerde financieringsplannen de arme
landen economisch ondersteunt, zodat zij er zelf
voor zorgen de vraag van hun burgers naar
consumptiegoederen en ontwikkeling te
bevredigen, kan men niet alleen echte
economische groei bereiken, maar ook ertoe
bijdragen de productiecapaciteiten van de rijke
landen te behouden, die het gevaar lopen door de
crisis eveneens schade op te lopen.
28. Een van de meest opvallende aspecten van de
huidige ontwikkeling is het belangrijke thema
van eerbied voor het leven, dat op
generlei wijze gescheiden mag worden van de
vragen aangaande de ontwikkeling van de volken.
Het is een aspect dat de laatste tijd steeds
belangrijker wordt en ons verplicht de begrippen
van armoede66 en onderontwikkeling
uit te breiden naar de vragen die met de
aanvaarding van het leven verbonden zijn, vooral
waar dit op verschillende manieren belemmerd
wordt.
Niet alleen de situatie van armoede veroorzaakt
nog altijd hoge cijfers van kindersterfte in
vele gebieden, maar in verschillende delen van
de wereld worden door regeringen nog steeds
vormen van bevolkingscontrole in praktijk
gebracht, die dikwijls contraceptie bevorderen
en zelfs zover gaan dat abortus verplicht wordt.
In de economisch meer ontwikkelde landen is
tegen het leven gerichte wetgeving wijdverbreid
en heeft gewoonte en praktijk reeds beslissend
beïnvloed; dit draagt bij tot de verbreiding van
een anti-geboorte mentaliteit, die men dikwijls
ook probeert over te brengen op andere landen,
alsof dit een vorm van culturele vooruitgang zou
zijn.
Sommige niet-gouvernementele organisaties
(NGO’s) werken actief voor de verbreiding van
abortus en bevorderen soms in arme landen de
keuze voor sterilisatie, ook bij vrouwen die
zich niet bewust zijn van de betekenis van de
ingreep. Bovendien bestaat de gegronde
verdenking dat af en toe ontwikkelingshulp zelf
is verbonden met bepaalde vormen van
gezondheidsbeleid, die de facto strenge
maatregelen van geboortebeperking opleggen.
Eveneens zorgwekkend is de wetgeving waarin
wordt voorzien in euthanasie, en evenzo
verontrustend de druk van nationale en
internationale groepen om de juridische
erkenning hiervan te eisen.
Openheid voor het leven vormt de kern van de
ware ontwikkeling. Als een samenleving de weg
inslaat van het weigeren of onderdrukken van het
leven, zal deze uiteindelijk niet meer de nodige
motivatie en energie vinden om zich in te zetten
voor het ware welzijn van de mens. Als de
persoonlijke en sociale zin voor de aanvaarding
van een nieuw leven verloren gaat, dan verdorren
ook andere voor het sociale leven nuttige vormen
van aanvaarding.67 De aanvaarding van
het leven versterkt de morele krachten en stelt
mensen in staat tot wederzijdse hulpverlening.
Als rijke volken de ontvankelijkheid voor het
leven koesteren, kunnen ze de behoeften van de
arme volken beter begrijpen en het gebruik van
enorme economische en intellectuele hulpbronnen
voor de bevrediging van egoïstische wensen bij
de eigen burgers vermijden. In plaats daarvan
kunnen ze dan goede handelingen met het oog op
een moreel gezonde en solidaire productie
bevorderen, met eerbiediging van het grondrecht
van ieder volk en iedere mens op leven.
29. Er is nog een ander aspect van het huidige
leven dat zeer nauw verbonden is met de
ontwikkeling: de weigering van het recht op
godsdienstvrijheid. Ik verwijs niet alleen
naar strijd en conflicten, die in de wereld nog
steeds op religieuze gronden worden
uitgevochten, zelfs wanneer het religieuze
motief slechts de dekmantel is voor
andersoortige redenen, zoals zucht naar macht en
rijkdom. Inderdaad wordt vandaag de dag vaak
gedood in de heilige Naam van God, zoals mijn
voorganger Paus Johannes Paulus II en ikzelf
herhaaldelijk hebben benadrukt en afgekeurd.68
Geweld van iedere soort remt de authentieke
ontwikkeling af en belemmert de overgang van de
volken naar groter socio-economisch en
geestelijk welbevinden. Dit geldt speciaal voor
terrorisme met fundamentalistische achtergrond,69
dat verdriet, verwoesting en dood veroorzaakt,
de dialoog tussen de naties blokkeert en grote
hoeveelheden geld kost, die voor vreedzame en
burgerlijke doelen gebruikt hadden moeten
worden. Daar moet echter aan toegevoegd worden
dat buiten het religieuze fanatisme dat in
sommige gebieden de uitoefening van het recht op
godsdienstvrijheid belemmert, ook de
stelselmatige bevordering van religieuze
onverschilligheid of praktisch atheïsme door
veel landen indruist tegen de behoeften van de
ontwikkeling van de volken, door hen te beroven
van geestelijke en menselijke rijkdommen.
God staat garant voor de ware ontwikkeling van
de mens want, omdat Hij hem naar Zijn beeld
geschapen heeft, is Hij ook de grond van zijn
transcendente waardigheid en voedt zijn
basisverlangen “meer te zijn”. De mens is niet
zoiets als een verloren atoom in een toevallig
universum70, maar een schepsel Gods,
dat van Hem een onsterfelijke ziel ontvangen
heeft en dat Hij van eeuwigheid heeft liefgehad.
Als de mens alleen het product van toeval dan
wel van noodzaak zou zijn, of als hij zijn
aspiraties zou moeten beperken tot de begrensde
horizon van zijn aardse bestaan, als alles
alleen geschiedenis en cultuur zou zijn en de
mens geen natuur zou bezitten die bestemd is
zichzelf te overstijgen in een bovennatuurlijk
leven, dan zou men van groei of evolutie kunnen
spreken, maar niet van ontwikkeling. Als de
staat vormen van een praktisch atheïsme
bevordert, leert of zelfs doordrijft, ontneemt
de staat zijn burgers de morele en geestelijke
kracht die onontbeerlijk is voor de inzet voor
de integrale menselijke ontwikkeling en belet
hen met een nieuw elan en een eigen engagement
een edelmoedig antwoord te geven op de
goddelijke liefde.71 Het komt ook
voor dat de economisch ontwikkelde landen of de
jonge industrielanden, in het kader van hun
culturele, commerciële en politieke
betrekkingen, deze kleinerende kijk op de mens
en zijn bestemming naar de arme landen
exporteren. Dat is de schade die de
“overontwikkeling”72 toebrengt aan de
echte ontwikkeling, als ze samengaat met “morele
onderontwikkeling”.73
30. In deze context krijgt het thema van de
integrale ontwikkeling van de mens een nog
meeromvattende draagwijdte: de correlatie tussen
de veelsoortige elementen vereist dat men zich
inspant voor de interactie van de
verschillende niveaus van menselijke kennis,
met het oog op de bevordering van een ware
ontwikkeling van de volken. Dikwijls wordt de
mening verdedigd dat ontwikkeling, en met name
de bijbehorende socio-economische maatregelen,
alleen maar als vrucht van gemeenschappelijk
handelen gerealiseerd hoeven te worden. Aan dit
gemeenschappelijke handelen moet echter richting
worden gegeven, omdat “elke sociale actie aan
een bepaalde leer [is] gebonden”.74
Gegeven de complexiteit van de problemen is het
duidelijk dat de verschillende takken van
wetenschap middels een geordende
interdisciplinaire uitwisseling moeten
samenwerken. Liefde sluit kennis niet uit, doch
vereist, bevordert en stimuleert die juist van
binnenuit. Kennis is nooit alleen het werk van
het verstandelijk vermogen. Kennis kan weliswaar
worden gereduceerd tot berekening of experiment,
maar als zij wijsheid wil zijn, die in staat is
de mens de weg te wijzen in het licht van de
grondbeginselen en zijn uiteindelijke doel, dan
moet zij “gezouten” zijn met het “zout” van de
liefde. Doen is blind zonder kennis en kennis is
steriel zonder liefde. “Want wie door een
waarachtige liefde wordt gedreven, is
vindingrijker dan wie ook, waar het erom gaat de
oorzaken van de ellende op te sporen en middelen
te vinden om haar te bestrijden en definitief te
overwinnen”.75 Geconfronteerd met de
verschijnselen die voor ons liggen, vereist
liefde in waarheid op de allereerste plaats dat
we weten en begrijpen, in het bewustzijn en de
eerbiediging van de specifieke competentie van
ieder niveau van kennis. De liefde is geen
toevoeging achteraf, als het ware een aanhangsel
van het door de verschillende disciplines reeds
gedane werk, maar zij staat vanaf het begin met
deze in dialoog. De aanspraken van de liefde
zijn niet in tegenspraak met die van de rede. De
menselijke kennis is onvoldoende en de
conclusies van de wetenschappen kunnen op zich
de weg naar de integrale ontwikkeling van de
mens niet wijzen. Het is altijd noodzakelijk
daarbovenuit verder door te dringen – dat
vereist de liefde in waarheid.76
Daarbovenuit gaan betekent echter nooit de
conclusies van de rede buiten beschouwing te
laten, noch de resultaten ervan te weerspreken.
Verstandelijk vermogen en liefde staan niet
eenvoudigweg naast elkaar: Er is liefde die
rijk is aan verstandelijk vermogen en
verstandelijk vermogen dat vervuld is van liefde.
31. Dit betekent dat de morele beoordeling en
het wetenschappelijk onderzoek samen moeten
groeien en dat de liefde hen moet bezielen in
een harmonische, interdisciplinaire totaliteit,
die uit eenheid en verscheidenheid bestaat De
sociale leer van de Kerk, die “een
belangrijke interdisciplinaire dimensie”
heeft77, kan vanuit dit perspectief
een buitengewoon doeltreffende functie
vervullen. Zij maakt het voor het geloof, de
theologie, de metafysica en de wetenschappen
mogelijk hun plaats te vinden in een
samenwerking in dienst van de mens. Hier
verwezenlijkt de sociale leer van de Kerk vooral
haar op wijsheid berustende dimensie. Paus
Paulus VI had duidelijk gezien hoe
onderontwikkeling ondermeer veroorzaakt wordt
door een gebrek aan wijsheid, aan beschouwing,
aan een denkwijze die in staat is een
richtinggevende synthese te formuleren78;
daarvoor is nodig “een helder inzicht in het
geheel van de problematiek, met al haar
aspecten, economisch, sociaal, cultureel en
geestelijk”.79 De overdreven opdeling
van kennis80, het zich afsluiten van de
menswetenschappen voor de metafysica81,
de moeilijkheden in de dialoog tussen de
wetenschappen en de theologie, ze schaden niet
alleen de ontwikkeling van de kennis maar ook de
ontwikkeling van de volken, want zo wordt de
blik belemmerd op het totale welzijn van de
mens, in de verschillende karakteristieke
dimensies. De “vergroting van ons concept van de
rede en het gebruik ervan”82 is
absoluut noodzakelijk om alle elementen van de
vraag naar ontwikkeling en oplossing van de
socio-economische problemen adequaat te kunnen
afwegen.
32. De belangrijke nieuwe facetten die het
totaalbeeld van de ontwikkeling van de volken
vandaag de dag vertoont, maken in veel gevallen
nieuwe oplossingen noodzakelijk. Die
moeten gezocht worden met inachtneming van de
eigen wetten van iedere realiteit en
tegelijkertijd in het licht van een totale kijk
op de mens – een kijk die de verschillende
aspecten van de mens weerspiegelt, zoals die
zich voordoen aan de door de liefde gezuiverde
blik. Dan zal men unieke overeenkomsten en
concrete mogelijkheden tot oplossing ontdekken,
zonder af te zien van enig fundamenteel
onderdeel van het menselijk leven.
De waardigheid van de persoon en de aanspraken
van de gerechtigheid eisen dat – vooral vandaag
de dag – de economische beslissingen de
verschillen in bezit niet op een overdreven en
moreel onaanvaardbare wijze vergroten,83
en dat als prioriteit steeds het doel wordt
nagestreefd, alle mensen toegang tot werk te
verschaffen en de mogelijkheid tot arbeid
te behouden. Zuiver bezien wordt dat ook vereist
door de “economische rede”. De systematische
toename van ongelijkheid tussen sociale groepen
in één land en tussen de bevolkingen van
verschillende landen, meer bepaald de massieve
groei van de relatieve armoede, leidt er niet
alleen toe dat de sociale samenhang wordt
ondermijnd en dat zo de democratie in gevaar
wordt gebracht. Ook op economisch vlak werkt
deze negatief, door voortgaande erosie van het
“sociale kapitaal”, beter gezegd door het
ondermijnen van het geheel van betrekkingen die
op vertrouwen, betrouwbaarheid en het naleven
van de regels gebaseerd zijn, en die
onontbeerlijk zijn voor iedere
burgersamenleving.
Bovendien vertelt de economische wetenschap ons
dat een structurele situatie van onzekerheid
leidt tot handelwijzen die de productie
belemmeren en menselijke hulpbronnen verkwisten,
omdat de werknemer de neiging heeft zich passief
naar de automatische mechanismen te voegen, in
plaats van creativiteit te ontwikkelen. Ook op
dit punt is er een overeenstemming tussen de
economische wetenschap en morele evaluatie.
De menselijke prijs is immers ook een
economische prijs, en economische
misstanden eisen altijd ook een menselijke
prijs.
Verder moet eraan herinnerd worden dat het
terugbrengen van culturen tot de technologische
dimensie, zelfs als dat misschien op korte
termijn het verwerven van winst bevordert, op de
lange termijn de wederzijdse verrijking en de
dynamiek van de samenwerking belemmert. Het is
belangrijk onderscheid te maken tussen
economische of sociologische overwegingen op
korte en lange termijn. Het verlagen van het
niveau van de rechtsbescherming van de
werknemers of het afzien van mechanismen voor de
herverdeling van winst, zodat het land een
betere internationale concurrentiepositie
verkrijgt, belemmeren de voortzetting van een
langdurige ontwikkeling. Zo moeten de gevolgen
van de huidige tendens naar een economie op
korte, soms zelfs extreem korte termijn, voor de
mensen zorgvuldig afgewogen worden. Dat vereist
“een nieuwe en diepgaandere beschouwing over
het wezen van de economie en haar doelen”84,
evenals een ingrijpende en vooruitziende
herziening van het ontwikkelingsmodel, om de
misstanden en vervormingen ervan te corrigeren.
Dit is in feite een eis van de ecologische
gezondheid van de planeet; en bovenal is het een
noodzaak die voortkomt uit de culturele en
morele crisis van de mens, waarvan de symptomen
allang in alle delen van de wereld zichtbaar
zijn.
33. Meer dan veertig jaar na Populorum
progressio blijft het basisthema van die
encycliek, namelijk de vooruitgang, nog
steeds een open vraag die, door de huidige
economische en financiële crisis, zich heeft
toegespitst en nog dringender geworden is. Al
hebben sommige gebieden op aarde, die ooit onder
armoede gebukt gingen, opvallende veranderingen
doorgemaakt in de zin van economische groei en
deelname aan de wereldproductie, andere gebieden
leven nog in een situatie van ellende die
vergelijkbaar is met de situatie ten tijde van
Paus Paulus VI, ja, in sommige gevallen kan men
zelfs van een verslechtering spreken. Het is
veelzeggend dat sommige oorzaken van deze
situatie reeds in Populorum progressio
vastgesteld werden, zoals bijvoorbeeld de door
economisch ontwikkelde landen vastgestelde hoge
invoerrechten, die het de producten uit de arme
landen altijd nog moeilijk maken de markten van
de rijke landen te bereiken. Andere oorzaken
echter, waar slechts op gezinspeeld werd in de
encycliek, zijn sindsdien veel duidelijker
geworden. Dat geldt ook voor de evaluatie van
het proces van dekolonisatie, dat toen in volle
gang was. Paus Paulus VI wenste een autonome
ontwikkeling, die zich in vrijheid en vrede zou
voltrekken. Na meer dan veertig jaar moeten wij
erkennen hoe moeilijk deze ontwikkeling is
geweest, hetzij tengevolge van nieuwe vormen van
kolonialisme en afhankelijkheid van oude en
nieuwe buitenlandse machten, hetzij tengevolge
van ernstige onverantwoordelijkheid in de landen
die zich onafhankelijk hebben gemaakt.
Het voornaamste nieuwe kenmerk was de
explosie van wereldwijde wederzijdse
afhankelijkheid, die intussen onder de
aanduiding “globalisering” algemeen bekend is.
Paus Paulus VI heeft dit verschijnsel ten dele
voorzien, maar de mate en de heftigheid waarmee
het zich heeft ontwikkeld zijn verwonderlijk.
Ontstaan in de economisch ontwikkelde landen,
heeft dit proces door zijn aard alle economieën
meegetrokken. Het is de voornaamste impuls
geweest waardoor hele gebieden uit de
onderontwikkeling zijn gekomen, en betekent op
zich een grote kans. Zonder de leiding van de
liefde in waarheid kan deze wereldwijde impuls
er desondanks toe bijdragen het gevaar van tot
nu toe ongekende schade en nieuwe verdeeldheid
in de familie van de mensheid op te roepen.
Daarom vragen de liefde en de waarheid van ons
een geheel nieuwe en creatieve inzet, die zeker
omvangrijk en complex is. Het gaat erom de
rede te verbreden en haar bekwaam te maken deze
indrukwekkende nieuwe dynamiek te erkennen en
richting te geven, door haar te bezielen in
de zin van de “cultuur van de liefde”, waarvan
God het zaad in ieder volk, in iedere cultuur
heeft gelegd.
HOOFDSTUK III: BROEDERLIJKHEID, ECONOMISCHE
ONTWIKKELING EN BURGERMAATSCHAPPIJ
34. Liefde in waarheid brengt de mens
met de verbazingwekkende ervaring van de gave in
aanraking. De gave om niet is in zijn leven
aanwezig in velerlei vormen, die echter op grond
van een zuiver productiegerichte en
utilitaristische kijk op het bestaan dikwijls
niet worden herkend. De mens is geschapen voor
de gave, die zijn transcendente dimensie tot
uitdrukking brengt en verwerkelijkt. Soms is de
moderne mens er ten onrechte van overtuigd dat
hij de enige grondlegger is van zichzelf, van
zijn leven en van de samenleving. Deze
aanmatiging is het gevolg van het egoïstisch
zich-in-zichzelf-opsluiten en vindt zijn
oorzaak – in geloofstermen gesproken – in de
oerzonde. De wijsheid van de Kerk heeft altijd
voorgestaan de erfzonde ook in beschouwing te
nemen bij de interpretatie van sociale
omstandigheden en bij de structuur van de
samenleving: “Ontkennen dat de mens een gewonde,
tot het kwade geneigde natuur heeft, geeft
aanleiding tot ernstige dwalingen op het gebied
van de opvoeding, de politiek, het sociaal
handelen en de zeden”.85 Op de lijst
van terreinen waarop de schadelijke gevolgen van
de zonde duidelijk zijn, staat reeds lange tijd
ook dat van de economie. Ook onze tijd levert
ons daarvoor duidelijk bewijs. De overtuiging
zichzelf genoeg te zijn en in staat te zijn het
in de geschiedenis aanwezige kwaad alleen door
het eigen handelen te kunnen overwinnen, heeft
de mens ertoe verleid het geluk en het heil te
zien in immanente vormen van materiële welstand
en sociaal engagement. Verder heeft de
overtuiging dat de economie autonomie vereist en
geen morele “beïnvloeding” mag toelaten de mens
ertoe gebracht het werktuig van de economie op
ontwrichtende wijze te misbruiken. Op lange
termijn hebben deze overtuigingen geleid tot
economische, sociale en politieke systemen, die
de vrijheid van de persoon en van sociale
groepen hebben onderdrukt en juist op grond
daarvan niet in staat waren te zorgen voor de
gerechtigheid die ze hadden beloofd. Zoals ik
reeds in mijn encycliek Spe salvi heb
geschreven, verwijdert men op deze wijze de
christelijke hoop uit de geschiedenis,86
die echter een krachtig potentieel vormt in
dienst van de veelomvattende ontwikkeling van de
mens, die in vrijheid en gerechtigheid wordt
gezocht. De hoop moedigt de rede aan en geeft
deze kracht om de wil te sturen.87 De
hoop is reeds aanwezig in het geloof, dat haar
in feite doet ontstaan. De liefde in waarheid
voedt zich met haar en maakt haar tegelijk
zichtbaar. Daar de hoop geheel en al een gave om
niet van God aan de mens is, treedt zij ons
leven binnen als iets waar wij geen recht op
hebben, dat boven iedere wet van de
gerechtigheid uitgaat. De gave overtreft van
nature de verdienste, met als wet de overvloed.
De gave komt in onze ziel als teken van Gods
aanwezigheid in ons en van wat Hij van ons
verwacht. De waarheid, die evenals de liefde een
gave is, is – zo leert ons de heilige Augustinus
– groter dan wij.88 Ook de waarheid
over onszelf, over ons eigen geweten, is ons op
de allereerste plaats “gegeven”. Want bij elk
inzicht ontstaat de waarheid niet dankzij ons;
wij vinden haar, of liever gezegd, we ontvangen
haar. De waarheid is, net als de liefde, “niet
het gevolg van denken of willen, maar
overweldigt op de een of andere manier mensen”.89
Daar liefde in waarheid een gave is die iedereen
ontvangt, vormt zij een kracht die gemeenschap
sticht, die de mensen verenigt op een wijze die
geen barrières en grenzen kent. De gemeenschap
van mensen kan door onszelf worden gesticht,
maar zal alleen, op eigen kracht, nooit een
volkomen broederlijke gemeenschap zijn, die
iedere begrenzing overwint, dat wil zeggen, een
werkelijk universele gemeenschap. De eenheid van
het menselijk geslacht, een broederlijke
gemeenschap over iedere grens heen, wordt
geboren uit het Woord van God, Die Liefde is en
ons samenroept. Bij de behandeling van deze
beslissende vraag moeten wij enerzijds
preciseren dat door de logica van de gave de
gerechtigheid niet uitgesloten wordt, of er in
tweede instantie en van buitenaf aan toegevoegd,
en anderzijds dat een economische, sociale en
politieke ontwikkeling, die waarlijk menselijk
wil zijn, het principe van de
onbaatzuchtigheid, als uitdrukking van de
broederlijkheid de ruimte moet geven.
35. De markt is, als er wederzijds en
algemeen vertrouwen heerst, de economische
instelling die de ontmoeting mogelijk maakt
tussen mensen, die als handeldrijvenden hun
betrekkingen middels een verdrag regelen en
goederen en dienstverlening van vergelijkbare
waarde uitwisselen, om hun behoeften en wensen
te bevredigen. De markt is onderworpen aan de
principes van de zogenaamde corrigerende
rechtvaardigheid, die de betrekkingen van
geven en ontvangen tussen gelijkwaardige
partners regelt. Maar de sociale leer van de
Kerk heeft steeds het belang benadrukt van de
verdelende rechtvaardigheid en de
sociale rechtvaardigheid voor de
markteconomie zelf, niet alleen omdat de
markteconomie tot een grotere sociale en
politieke context behoort, maar ook op grond van
het netwerk van betrekkingen waarbinnen deze
opereert. Want als de markt alleen gedomineerd
wordt door het principe van de vergelijkbare
waarde van de geruilde goederen, is deze niet in
staat te zorgen voor de sociale samenhang die
toch nodig is om goed te functioneren. Zonder
interne handelwijzen, die worden gekenmerkt door
solidariteit en wederzijds vertrouwen, kan de
markt de eigen economische functie niet volkomen
vervullen. Dit vertrouwen is vandaag de dag
verloren gegaan en verlies van vertrouwen is een
zwaar verlies.
Paus Paulus VI heeft in de encycliek
Populorum progressio terecht benadrukt dat
algemeen verbreide rechtvaardige handelwijzen
voor het economisch systeem zelf een voordeel
vormen, daar de rijke landen als eerste voordeel
hebben van de economische vooruitgang van de
arme landen.90 Daarbij ging het er
niet alleen om verkeerde gevolgen te corrigeren
door hulpverlening. De armen mogen niet als een
“last”91 worden beschouwd, maar als
een hulpbron, zelfs vanuit een strikt economisch
standpunt. Toch moet het standpunt dat de
markteconomie structureel zou zijn aangewezen op
quota van armoede en onderontwikkeling, om zo
goed mogelijk te functioneren, als onjuist
worden verworpen. Het is in het belang van de
markt om de emancipatie te bevorderen, maar om
dat te bereiken mag deze niet alleen op zichzelf
vertrouwen, want de markt is niet in staat uit
zichzelf te bereiken wat de eigen mogelijkheden
te boven gaat. Er moet veel meer worden
teruggegrepen op de morele krachten van andere
subjecten, die dit wel tot stand kunnen brengen.
36. Het economisch leven kan niet alle sociale
problemen oplossen enkel door de uitbreiding van
het marktdenken. Het moet gericht
worden op het bereiken van het algemeen welzijn,
waarvoor ook en bovenal de politieke gemeenschap
moet zorgen. Daarom mag niet worden vergeten dat
de scheiding tussen de economische
bedrijvigheid, die als opgave het creëren van
rijkdom zou hebben, en de politiek, die middels
herverdeling voor de rechtvaardigheid zou moeten
zorgen, ernstige storingen veroorzaakt.
De Kerk heeft altijd het standpunt ingenomen dat
economische bedrijvigheid niet als antisociaal
mag worden gezien. De markt is op zich genomen
geen plaats waar de armen worden onderdrukt door
de rijken en mag dat ook niet worden. De
samenleving hoeft zich derhalve niet tegen de
markt te beschermen, alsof de ontwikkeling
daarvan ipso facto tot vernietiging van
waarachtig menselijke verhoudingen zou leiden.
Het is zeker juist dat de markt een negatieve
invloed kan hebben, niet omdat dit zou
voortvloeien uit de aard ervan, maar omdat een
bepaalde ideologie deze invloed kan veroorzaken.
Er mag niet worden vergeten dat de markt niet in
een zuivere vorm bestaat. De markt wordt bepaald
door de culturele omstandigheden, die er
concrete vorm en richting aan geven. De economie
en het geldwezen kunnen, voor zover ze middelen
zijn, inderdaad slecht gebruikt worden, als de
verantwoordelijke zich slechts door egoïstische
belangen laat leiden. Zo kunnen op zich goede
middelen worden veranderd in schadelijke
middelen. Maar het is het verduisterde verstand
van de mensen, dat tot deze gevolgen leidt, niet
de middelen zelf. Daarom moet het appel niet aan
het middel worden gericht, maar aan de mens, aan
zijn morele geweten en aan zijn persoonlijke en
sociale verantwoordelijkheid.
De sociale leer van de Kerk is van mening dat
echte menselijke relaties in vriendschap en
gemeenschap, in solidariteit en wederkerigheid,
ook binnen de economische bedrijvigheid geleefd
kunnen worden en niet alleen daarbuiten of
“daarna”. Het terrein van de economie is noch
moreel neutraal, noch in essentie onmenselijk en
antisociaal. Het behoort tot de menselijke
activiteit en moet, juist omdat het menselijk
is, vanuit een moreel gezichtspunt
gestructureerd en geïnstitutionaliseerd worden.
Voor ons ligt een grote uitdaging, die is
ontstaan door de problemen van de ontwikkeling
in deze tijd van globalisering en die door de
economische en financiële crisis nog wordt
verergerd. Wij moeten in ons denken en handelen
niet alleen laten zien dat de traditionele
sociaal-ethische principes zoals transparantie,
eerlijkheid en verantwoordelijkheid niet
veronachtzaamd of afgezwakt mogen worden, maar
ook dat in zakelijke betrekkingen het principe
van de onbaatzuchtigheid en de logica van de
gave, als uitdrukking van broederlijkheid, in
het normale economische leven een plaats kunnen
en moeten hebben. Dat is een eis aan de mens in
onze huidige tijd, maar ook een eis aan het
economisch denken zelf. Het is tegelijkertijd
een eis van de liefde en de waarheid.
37. De sociale leer van de Kerk heeft altijd
bevestigd dat de rechtvaardigheid alle fasen
van de economische bedrijvigheid betreft,
daar deze steeds met de mens en met zijn
behoeften te maken heeft. Het verwerven van
hulpbronnen, financiering, productie, consumptie
en alle andere fasen hebben onvermijdelijk
morele gevolgen. Zo heeft iedere economische
beslissing een moreel gevolg. Dit alles
wordt ook bevestigd door de sociale
wetenschappen en de tendens van de huidige
economie. Misschien was het vroeger denkbaar dat
het scheppen van rijkdom aan de economie werd
toevertrouwd, waarna aan de politiek de taak kon
worden overgedragen deze te verdelen.
Tegenwoordig lijkt dat moeilijker, daar de
economische bedrijvigheid niet aan territoriale
grenzen is gebonden, terwijl het gezag van de
regeringen nog steeds voornamelijk plaatselijk
bepaald is. Daarom moeten de regels van de
gerechtigheid vanaf het begin in acht worden
genomen, al terwijl het economisch proces in
gang is, en niet meer daarna of gelijktijdig.
Daarenboven is het nodig dat er ruimte wordt
geschapen voor de economische bedrijvigheid van
organisaties, die hun handelen uit vrije wil
richten naar principes die zich onderscheiden
van het enkele streven naar winst, maar
desondanks toch economische waarden willen
produceren. De vele uitdrukkingsvormen van de
economie, die uit confessionele en
niet-confessionele initiatieven zijn
voortgekomen, tonen aan dat dit een concrete
mogelijkheid is.
In de tijd van de globalisering wordt de
economie beïnvloed door concurrerende modellen,
die van zeer verschillende culturen afhankelijk
zijn. De daaruit voortkomende vormen van gedrag,
wat betreft economie en ondernemerschap, hebben
als voornaamste ontmoetingspunt het in acht
nemen van de corrigerende rechtvaardigheid. Het
economische leven heeft zonder twijfel
verdragen nodig, om de ruil van aan
elkaar beantwoordende waarden te regelen.
Eveneens zijn echter noodzakelijk
rechtvaardige wetten, door de politiek
geleide mechanismen van herverdeling en
bovendien werken die gekenmerkt worden door de
geest van de gave. De geglobaliseerde
economie schijnt de voorkeur te geven aan de
eerste logica, die van de contractueel
overeengekomen goederenruil, maar direct en
indirect laat ze zien dat ze de beide andere
vormen ook nodig heeft, de logica van de
politiek en de logica van de gave zonder
tegenprestatie.
38. Mijn voorganger Paus Johannes Paulus II
heeft de aandacht op deze problematiek
gevestigd, toen hij in de encycliek
Centesimus annus wees op de
noodzakelijkheid van een systeem met drie
subjecten: de markt, de staat
en de burgermaatschappij.92
In de burgermaatschappij zag hij het meest
geëigende terrein voor een economie van de
onbaatzuchtigheid en broederlijkheid, maar
hij wilde de beide andere terreinen hierbij niet
uitsluiten. Vandaag de dag kunnen we zeggen dat
het economisch leven moet worden begrepen als
een meerdimensionale realiteit: in alle
dimensies moet in verschillende mate en in eigen
vormen het aspect van de broederlijke
wederzijdsheid voorhanden zijn. In de tijd van
de globalisering kan de economische
bedrijvigheid niet afzien van onbaatzuchtigheid,
die de solidariteit en het
verantwoordelijkheidsbewustzijn voor de
gerechtigheid en het algemeen welzijn bij de
verschillende deelnemers aan het economisch
proces verbreidt en voedt. Het gaat daarbij
tenslotte om een concrete en diepgaande vorm van
economische democratie,93 die alleen
aan de staat gedelegeerd kan worden. Terwijl men
vroeger van mening kon zijn dat men eerst voor
gerechtigheid zou moeten zorgen en dat de
onbaatzuchtigheid daarna als toevoegsel erbij
zou komen, moet men vandaag de dag vaststellen,
dat zonder onbaatzuchtigheid ook de
gerechtigheid niet bereikt kan worden. Er is
daarom een markt nodig waar ondernemingen met
verschillende doelstellingen vrij en onder
gelijke omstandigheden actief kunnen zijn. Naast
de op winst gerichte particuliere ondernemingen
en de verschillende soorten staatsondernemingen,
moeten ook de productieverbanden, die naar
wederkerige en sociale doelen streven, een
plaats vinden en actief kunnen zijn. Men mag
hopen dat hun ontmoeting op de markt tot een
soort kruising en vermenging van
ondernemersgedrag leidt en dat er in het vervolg
aandacht wordt besteed aan een beschaving
van de economie. Liefde in waarheid
betekent in dit geval dat aan die economische
initiatieven vorm en structuur worden gegeven,
die winst weliswaar niet uitsluiten, maar willen
uitstijgen boven de logica van het
equivalentieprincipe en winst als doel op
zichzelf.
39. Paus Paulus VI sprak zich in de encycliek
Populorum progressio uit voor de
creatie van een model van markteconomie, dat
tenminste in potentie alle volken kan insluiten
en niet alleen degene die over de passende
mogelijkheden en bekwaamheden beschikken.
Hij wilde zich ervoor inzetten dat er een wereld
zou ontstaan, die voor allen menselijker is, een
wereld “waarin allen moeten geven en nemen,
zonder dat de vooruitgang van de een de
ontwikkeling van de ander in de weg staat”.94
Daarmee breidde hij de eisen en doelen van de
encycliek Rerum novarum uit tot
universeel niveau. Toen deze encycliek
verscheen, als antwoord op de Industriële
Revolutie, vond voor de eerste maal de toen
zeker vooruitstrevende gedachte ingang, dat het
voortbestaan van de sociale orde ook een
herverdelend ingrijpen van de staat vereiste.
Vandaag de dag blijkt deze zienswijze
onvoldoende te zijn, nog afgezien van het feit
dat ze door de openstelling van markten en
sociale groepen in een crisis is geraakt, om aan
de eisen van een volledig menselijke economie te
voldoen. Wat de sociale leer van de Kerk,
uitgaande van haar visie op de mens en de
samenleving altijd heeft verdedigd, is vandaag
de dag ook noodzakelijk op grond van de dynamiek
die de globalisering met zich mee brengt.
Als de logica van de markt en de logica van de
staat met wederzijdse instemming op het
monopolie van hun respectieve invloedsferen
blijven staan, gaat op lange termijn de
solidariteit in de betrekkingen tussen de
burgers, de medewerking en de deelname, evenals
het onbaatzuchtige handelen, verloren. Deze
beide invloedsferen onderscheiden zich van
“geven om te hebben”, wat de logica van de ruil
vormt, en “geven uit plicht”, wat geldt voor de
publieke gedragingen, opgelegd door
staatswetten. Het overwinnen van de
onderontwikkeling vereist ingrijpen, niet alleen
ter verbetering van de op goederenruil
berustende transacties, niet alleen op het
gebied van de prestaties van publieke
hulpvoorziening, maar bovenal wat betreft een
voortschrijdende openheid op wereldwijd
niveau voor economische bedrijvigheid, die zich
onderscheidt door een aandeel van
onbaatzuchtigheid en gemeenschap. De
exclusieve combinatie markt-staat ondermijnt de
gemeenschapszin. De vormen van solidair
economisch leven daarentegen, die hun meest
vruchtbare bodem in de burgermaatschappij
vinden, zonder zich daartoe te beperken, brengen
solidariteit tot stand. Er is geen markt van
onbaatzuchtigheid, en een houding van
onbaatzuchtigheid kan niet per wet verordend
worden. En toch heeft zowel de markt alsook de
politiek mensen nodig die bereid zijn tot
toewijding aan elkaar.
40. De huidige internationale economische
dynamieken met hun ernstige afwijkingen en
misstanden eisen dat ook het denken over het
ondernemen ingrijpend moet veranderen. Oude
vormen van ondernemerschap gaan hun einde
tegemoet, maar aan de horizon worden nieuwe
veelbelovende vormen zichtbaar. Een van de grote
gevaren is zeker dat de onderneming bijna
uitsluitend verantwoordelijk is tegenover de
investeerders en zo tenslotte aan betekenis voor
de samenleving inboet. Op grond van de groeiende
omvang en de toenemende behoefte aan kapitaal
worden steeds minder ondernemingen geleid door
één en dezelfde ondernemer, die zich op lange
termijn – en niet slechts tijdelijk – voor de
activiteiten en de resultaten van zijn
onderneming verantwoordelijk voelt, en steeds
minder vaak zijn ondernemingen van slechts één
regio afhankelijk. Bovendien kan de zogenaamde
uitbesteding van productiecapaciteit het
verantwoordelijkheidsbesef van de ondernemer ten
opzichte van belanghebbenden, zoals werknemers,
toeleveranciers, consumenten, het milieu en de
wijdere sociale omgeving, doen verminderen ten
gunste van de aandeelhouders, die niet aan een
bepaalde plaats gebonden zijn en daarom
buitengewoon mobiel zijn. De internationale
kapitaalmarkt biedt vandaag de dag inderdaad een
grote speelruimte waar het activiteiten betreft.
Tegelijk groeit echter ook het bewustzijn van de
noodzaak van een verder reikende “sociale
verantwoordelijkheid” van de onderneming. Ook
als niet alle ethische concepten die vandaag de
dag de discussies over de sociale
verantwoordelijkheid van de onderneming bepalen,
aanvaardbaar zijn vanuit het oogpunt van de
sociale leer van de Kerk, dan is het toch een
feit dat er een groeiende overtuiging is dat de
leiding van de onderneming niet alleen op de
belangen van de eigenaren acht mag slaan, maar
ook in moet gaan op die van alle categorieën
personen, die bijdragen tot het bestaan van de
onderneming: de werknemers, de klanten, de
toeleveranciers van de verschillende
productieonderdelen, de gemeenschap waarbinnen
de onderneming gevestigd is. In de afgelopen
jaren kon men een groeiende kosmopolitische
klasse van managers gadeslaan, die zich dikwijls
alleen naar de aanwijzingen van de belangrijkste
aandeelhouders richten, waarbij het
normaalgesproken om anonieme fondsen gaat, die
de facto het inkomen van de manager
bepalen. Maar vandaag de dag zijn er toch ook
veel managers die zich, dankzij bredere
analyses, steeds meer bewust worden van de
diepgaande verbindingen die hun onderneming
heeft met het gebied of de gebieden waar gewerkt
wordt. Paus Paulus VI heeft mensen uitgenodigd
ernstig te bedenken hoeveel schade men het eigen
land kan berokkenen als kapitaal alleen omwille
van het persoonlijke voordeel naar het
buitenland overgebracht wordt.95 Paus
Johannes Paulus II constateerde dat een
investering naast een economische ook altijd een
morele betekenis heeft.96 Het
moet benadrukt worden dat dit alles vandaag de
dag ook nog geldt, ook al is de kapitaalmarkt
sterk geliberaliseerd en kan de moderne
technologische denkwijze een mens ertoe
verleiden in een investering slechts een
technisch proces te zien, en niet ook een
menselijke en ethische handeling. Er is geen
reden te ontkennen dat een zeker kapitaal iets
goeds teweeg kan brengen als het in het
buitenland en niet in eigen land wordt
geïnvesteerd. Maar de aanspraken van de
rechtvaardigheid moeten gewaarborgd zijn,
waarbij ook in beschouwing genomen moet worden
hoe dit kapitaal is ontstaan en welke schade
mensen ondervinden als het niet wordt ingezet op
de plaats waar het gevormd is.97 Men
moet vermijden dat financiële middelen gebruikt
worden voor speculatie en dat men toegeeft aan
de bekoring alleen winst op korte termijn te
zoeken zonder te denken aan de duurzaamheid van
de onderneming op lange termijn, het nut van de
investering voor de reële economie, en de zorg
voor passende en geschikte bevordering van
economische initiatieven in ontwikkelingslanden.
Evenmin is er reden om te ontkennen dat
verplaatsing naar het buitenland, indien
verbonden met investeringen en scholing, voor de
bevolking van het desbetreffende land ten goede
kan werken. Arbeid en technische kennis zijn
overal nodig. Het is echter niet toelaatbaar een
verplaatsing alleen uit te voeren om van
bepaalde gunstige omstandigheden te profiteren
of zelfs om anderen uit te buiten, zonder een
echte bijdrage te leveren aan het ontstaan van
een stabiel, productief en sociaal systeem voor
de plaatselijke samenleving, hetgeen een
onontbeerlijke voorwaarde voor een duurzame
ontwikkeling vormt.
41. In dit verband is het van groot nut erop te
wijzen dat economische bedrijvigheid meerdere
waarden omvat, en deze steeds meer moet
vervullen. De reeds lange tijd prevalerende
combinatie van markt en staat heeft ons eraan
gewend doen raken enerzijds alleen te denken aan
de particuliere ondernemer van de
kapitalistische soort, en anderzijds aan de
leiders van staatsondernemingen. In
werkelijkheid is een gedifferentieerd begrip van
economische bedrijvigheid vereist. Dat volgt uit
een serie van meta-economische beweegredenen. De
economische bedrijvigheid heeft een menselijke
betekenis, die boven de beroepsmatige gaat.98
Deze vormt onderdeel van alle werk, als dit als
“actus personae”99 wordt
beschouwd. Daarom is het goed iedere werknemer
de mogelijkheid te bieden zijn persoonlijke
bijdrage te leveren, zodat hij zichzelf “bewust
is dat hij ‘voor eigen zaak’ werkt”.100
Niet toevallig heeft Paus Paulus VI geleerd dat
“ieder die werkt in zekere zin schepper is”.101
Juist om recht te doen aan de behoeften en de
waardigheid van de werkende mens, evenals aan de
behoeften van de samenleving, zijn er
verschillende soorten ondernemingen, veel meer
dan het enkele onderscheid tussen “particuliere
onderneming” en “staatsonderneming” aangeeft.
Ieder daarvan vereist en verwezenlijkt een
bijzondere bedrijfskundige bekwaamheid. Om te
komen tot een economie die zich in de nabije
toekomst in dienst kan stellen van het nationale
en het wereldwijde algemeen welzijn, is het
zinvol aan deze vérstrekkende betekenis van
economische bedrijvigheid aandacht te schenken.
Deze meeromvattende kijk bevordert de
uitwisseling en de wederzijdse beïnvloeding van
de verschillende soorten van economische
bedrijvigheid, met een stroom van deskundigheid
van organisaties zonder winstoogmerk naar
organisaties met winstoogmerk en omgekeerd, van
het publieke terrein naar de burgermaatschappij,
van geavanceerde economieën naar die van
ontwikkelingslanden.
Ook het politieke gezag omvat meerdere
waarden, die op de weg naar de
verwezenlijking van een nieuwe
sociaal-verantwoordelijke en naar menselijke
maat ingerichte economisch-productieve orde niet
vergeten mogen worden. Zoals men over de gehele
wereld een gedifferentieerde economische
bedrijvigheid wil stimuleren, zo moet ook een
gespreid, en op verschillende niveaus werkend,
politiek gezag worden bevorderd. De onderling
vergroeide economie van onze tijd elimineert de
rol van de staten niet, doch verplicht eerder de
regeringen tot een nauwere samenwerking.
Wijsheid en verstand sporen ertoe aan niet te
snel het einde van de staat uit te roepen. Met
het oog op de oplossing van de huidige crisis
zien we een groei van de rol van de staat, die
veel bevoegdheden juist weer terug krijgt. Er
zijn ook landen waar de opbouw of wederopbouw
van de staat bovendien een sleutelrol in hun
ontwikkeling speelt. De internationale hulp
zou, in het kader van een solidair plan voor de
oplossing van de huidige economische problemen,
juist de versterking van de constitutionele,
juridische en bestuurlijke structuren in de
landen waar deze nog niet volkomen op orde zijn,
moeten bevorderen. Naast economische hulp is er
behoefte aan ondersteuning om de garanties te
versterken die eigen zijn aan de rechtsstaat:
een doeltreffend systeem van openbare orde en
gevangeniswezen, met inachtneming van de
mensenrechten, en werkelijk democratische
instellingen. De staat moet niet overal dezelfde
vorm hebben: de steun ter versterking van zwakke
constitutionele systemen kan op uitstekende
wijze door de ontwikkeling van andere politieke
instanties naast de staat begeleid worden,
instanties van culturele, sociale, regionale of
religieuze aard. De opbouw van het politieke
gezag op plaatselijk niveau, op het niveau van
de nationale en internationale
burgermaatschappij en op het niveau van de
bovennationale en wereldwijde gemeenschap, is
ook een van de belangrijkste manieren om
richting te geven aan de economische
globalisering. Het is de beste manier om te
verhinderen dat deze de facto de
fundamenten van de democratie ondermijnt.
42. Soms constateert men een fatalistische
mentaliteit ten opzichte van de
globalisering, alsof er sprake zou zijn van
een dynamiek van onpersoonlijke, anonieme
krachten en van structuren die onafhankelijk
zijn van de menselijke wil.102 Wat
dit betreft is het goed in herinnering te roepen
dat de globalisering zeker een socio-economisch
proces vormt, maar dat dit niet de enige
dimensie ervan is. Achter het duidelijk
zichtbare proces staat een in toenemende mate
met elkaar vervlochten mensheid. Die wordt
gevormd door personen en volken, voor wie dit
proces tot nut en tot ontwikkeling moet
strekken,103 doordat zowel de
individuen alsook de gemeenschap hun respectieve
verantwoordelijkheden op zich nemen. Het
overwinnen van grenzen is niet alleen een
materiële aangelegenheid maar, waar het oorzaak
en gevolg betreft, ook een culturele kwestie.
Als globalisering deterministisch
geïnterpreteerd wordt, gaan de criteria voor de
evaluatie en organisatie ervan verloren.
Globalisering is een menselijke realiteit,
waarachter zich verschillende culturele
stromingen kunnen bevinden, die zorgvuldig
afgewogen moeten worden. De waarheid van het
globaliseringsproces en het fundamentele
ethische criterium ervan zijn gegeven in de
eenheid van de familie van de mensheid en het
vorderingen maken in het goede. Daarom is een
onophoudelijke inzet nodig voor de
bevordering van een personalistische en
gemeenschappelijke, alsook een voor
transcendentie openstaande, culturele oriëntatie
van het wereldomvattende integratieproces.
Ondanks enkele structureel bepaalde dimensies,
die niet te loochenen zijn, maar evenmin
verabsoluteerd moeten worden, is “globalisering
a priori goed noch slecht.
Globalisering zal zijn wat de mensen ervan
maken”.104 Wij mogen geen
slachtoffers zijn maar moeten vormgevers worden,
door verstandig te handelen en ons te laten
leiden door de liefde en de waarheid. Blinde
tegenstand zou een verkeerde houding zijn, een
vooroordeel dat er uiteindelijk toe zou leiden
een proces te miskennen, dat ook vele positieve
kanten heeft, en zo het gevaar te lopen een
grote kans te verspelen deel te nemen aan de
veelsoortige ontwikkelingsmogelijkheden, dat dit
toch biedt. De op juiste wijze geplande en
uitgevoerde globaliseringsprocessen maken op
wereldwijd niveau een grote herverdeling van de
rijkdom mogelijk, zoals die er nog nooit is
geweest. Als deze processen echter slecht
gestuurd worden, kunnen ze daarentegen leiden
tot een toename van armoede en ongelijkheid, en
zouden met een crisis de gehele wereld kunnen
aansteken. Het is nodig ook de zware
onvolkomenheden van deze processen uit de wereld
te helpen, die nieuwe verdeeldheden tussen
volken en binnen volken veroorzaken, en ervoor
zorgen dat de herverdeling van de rijkdom niet
plaatsvindt middels een herverdeling van de
armoede, of deze zelfs doet toenemen, hetgeen
een slechte omgang met de huidige situatie zou
kunnen doen vrezen. Men heeft lange tijd gedacht
dat de arme volken in een van tevoren vastgelegd
ontwikkelingsstadium zouden moeten blijven en
genoegen moeten nemen met de filantropie van de
ontwikkelde volken. Tegen die mentaliteit heeft
Paus Paulus VI in de encycliek Populorum
progressio stelling genomen. Vandaag de dag
zijn de ter beschikking staande materiële
mogelijkheden om deze volken uit de armoede te
redden potentieel groter dan vroeger, maar ze
zijn voornamelijk in beslag genomen door de
ontwikkelde volken zelf, die meer konden
profiteren van het proces van de liberalisering
van de mobiliteit van kapitaal en arbeidskracht.
De wereldwijde uitbreiding van de welstand mag
daarom niet door egoïstische, protectionistische
en door individuele belangen geleide projecten
worden afgeremd. De betrokkenheid van jonge
industrielanden en ontwikkelingslanden maakt
vandaag de dag een betere omgang met de crisis
mogelijk. De bij het globaliseringsproces
behorende verandering brengt grote moeilijkheden
en gevaren met zich mee, die alleen overwonnen
kunnen worden als men zich bewust is van de
antropologische en ethische geest, die uit de
diepte de globalisering zelf in de richting van
een solidaire humanisering leidt. Helaas wordt
die geest dikwijls bedolven en onderdrukt door
individualistisch en utilitaristisch gekleurde
ethisch-culturele zienswijzen. De globalisering
is een gecompliceerd verschijnsel met vele
facetten, dat in de verscheidenheid en eenheid
van al zijn dimensies – inclusief de
theologische – begrepen moet worden. Zo zal het
mogelijk zijn de globalisering van de mensheid
in de zin van relatie, gemeenschap en deelname
te leven en richting te geven.
HOOFDSTUK IV: ONTWIKKELING VAN DE VOLKEN,
RECHTEN EN PLICHTEN, MILIEU
43. “De feitelijke solidariteit van alle mensen
brengt voor ons niet alleen voordelen mee, maar
legt ons ook verplichtingen op”.105
Veel mensen matigen zich tegenwoordig aan dat ze
niemand iets verschuldigd zijn, behalve
zichzelf. Ze denken dat ze alleen rechten hebben
en hebben het er dikwijls erg moeilijk mee een
verantwoordelijkheid voor hun eigen en de
integrale ontwikkeling van anderen te laten
rijpen. Daarom is het belangrijk een nieuwe
overdenking op gang te brengen over het feit
dat rechten plichten vooronderstellen, willen de
rechten niet tot willekeur vervallen.106
Wij beleven vandaag de dag een beklemmende
tegenstrijdigheid. Terwijl men van de ene kant
aanspraak maakt op vermeende rechten, die
willekeurig en genotzuchtig van aard zijn, onder
het voorwendsel dat ze door overheidsstructuren
worden erkend en bevorderd, worden van de andere
kant de elementaire grondrechten van een groot
deel van de mensheid ontkend en geschonden.107
Vaak kan samenhang worden vastgesteld tussen de
aanspraak op het recht op overvloed, en zelfs op
overtreding en ondeugd, in de welvarende
samenlevingen, en het gebrek aan voedsel,
drinkwater, onderwijs of medische basiszorg in
sommige onderontwikkelde delen van de wereld,
zoals aan de rand van grote wereldsteden. De
samenhang bestaat daaruit dat de individuele
rechten, als die van een zingevend kader van
plichten worden losgemaakt, krankzinnig worden
en leiden tot een praktisch grenzeloze en alle
criteria ontberende spiraal van eisen. De
overdrijving van rechten mondt uit in het
verzuim van plichten. Plichten beperken de
rechten, omdat ze wijzen op het antropologisch
en ethisch kader, in de waarheid waarvan ook de
rechten moeten worden ingevoegd, om niet tot
willekeur te worden. De plichten versterken
derhalve de rechten en bieden de verdediging en
de bevordering daarvan aan als opgave in dienst
van het goede. Als daarentegen de rechten van de
mens alleen gebaseerd zijn op de beslissingen
van een vergadering van burgers, kunnen die op
ieder moment veranderd worden, en daarom
verzwakt in het algemeen bewustzijn de plicht om
ze te eerbiedigen en te onderhouden. De
regeringen en de internationale instellingen
kunnen dan de objectiviteit en de “autonomie”
van de rechten buiten beschouwing laten. Als dat
gebeurt, is de echte ontwikkeling van de volken
in gevaar.108 Een dergelijke
mentaliteit brengt het aanzien van
internationale organisaties in diskrediet, in
het bijzonder in de ogen van die landen die het
meest behoefte aan ontwikkeling hebben. Die
eisen namelijk dat de internationale gemeenschap
de plicht op zich neemt hen te helpen
“bouwmeesters van hun eigen lot”109
te zijn, dat wil zeggen ook zelf plichten op
zich te nemen. Het delen van wederzijdse
plichten zet veel sterker aan tot actie dan het
alleen maar aanspraak maken op rechten.
44. Bij het begrip van rechten en plichten
aangaande ontwikkeling moet ook rekening worden
gehouden met de onderling samenhangende
problemen wat betreft de bevolkingsgroei.
Het gaat hier om een heel belangrijk aspect van
echte ontwikkeling, omdat het de onvervreemdbare
waarden van het leven en het gezin raakt.110
In de bevolkingsgroei de hoofdoorzaak van
onderontwikkeling te zien is – ook in economisch
opzicht – onjuist. Men hoeft slechts enerzijds
te denken aan de grote afname van kindersterfte
en de stijging van de gemiddelde leeftijd in
economisch ontwikkelde landen, en anderzijds aan
de duidelijke tekenen van crisis in
samenlevingen die een verontrustende
geboortedaling vertonen. Er moet uiteraard
aandacht worden besteed aan verantwoordelijke
voortplanting, die ondermeer een positieve
bijdrage levert aan de integrale ontwikkeling
van de mens. De Kerk, die hart heeft voor de
ware ontwikkeling van de mens, raadt hem
dringend aan alomvattende eerbied voor
menselijke waarden te hebben, en dat geldt ook
voor het omgaan met seksualiteit: die kan niet
worden gereduceerd tot een slechts hedonistische
en speelse handeling, zoals men de seksuele
opvoeding ook niet kan reduceren tot een
technische instructie, die er enkel op gericht
is de betrokkenen voor eventuele besmetting of
voor het “risico” van voortplanting te behoeden.
Dat zou gelijkstaan met verarming en
geringschatting van de diepe betekenis van
seksualiteit, die echter zowel door het individu
als door de samenleving erkend en op
verantwoordelijke wijze aanvaard moet worden.
Die verantwoordelijkheid verbiedt namelijk zowel
seksualiteit slechts te beschouwen als bron van
lust, alsook die te regelen door politieke
maatregelen van gedwongen geboorteregeling. In
beide gevallen is sprake van materialistische
opvattingen en de politieke vertaling daarvan,
waardoor mensen uiteindelijk verschillende
vormen van geweld ondergaan. Op dit gebied moet
men de eerstverantwoordelijkheid van het gezin111
tegenover die van de staat en zijn beperkende
politieke maatregelen stellen, alsook ervoor
zorgen dat ouders in dezen goed onderricht
worden.
Moreel verantwoordelijke openheid voor het
leven is een sociale en economische rijkdom.
Grote naties hebben zich, mede dankzij het grote
aantal en de bekwaamheden van hun inwoners, op
kunnen werken uit armoede. Omgekeerd ervaren
eens bloeiende naties thans, tengevolge van de
geboortedaling, een periode van onzekerheid en
in sommige gevallen zelfs van achteruitgang –
een cruciaal probleem juist voor
welvaartsstaten. De geboortedaling, die het
bevolkingscijfer soms tot onder de kritische
demografische grens doet zakken, veroorzaakt ook
een crisis in de sociale hulpverlening, leidt
tot verhoging van de kosten, doet de
spaartegoeden krimpen en – als gevolg daarvan –
de voor investeringen noodzakelijke financiële
middelen, reduceert de beschikbaarheid van
gekwalificeerde arbeidskrachten en vermindert
het reservoir van “knappe koppen”, waaruit men
voor de behoeften van de natie dient te putten.
Daarnaast kunnen kleine, soms zeer kleine,
gezinnen het risico lopen dat de sociale
betrekkingen worden verwaarloosd en er te weinig
wordt gezorgd voor doeltreffende vormen van
solidariteit. Deze situaties maken de symptomen
duidelijk van een gering vertrouwen in de
toekomst, evenals van morele vermoeidheid.
Daarom wordt het een sociale en zelfs
economische noodzaak de jonge generaties weer de
schoonheid van het gezin en het huwelijk te doen
inzien, evenals het feit dat deze instellingen
overeenkomen met de diepste behoeften van het
hart en van de waardigheid van de mens. Met het
oog hierop worden staten opgeroepen
politieke maatregelen te treffen die de centrale
positie en de integriteit van het op het
huwelijk van een man en een vrouw gebaseerde
gezin, “de eerste, levenskrachtige cel van
de maatschappij”,112 te bevorderen,
door ook verantwoordelijkheid te nemen voor de
economische en financiële problemen, met
eerbiediging van het op relatie berustende
karakter ervan.
45. Antwoorden op de diepste morele aanspraken
van de mens hebben ook belangrijke en weldadige
effecten op economisch niveau. De economie
heeft namelijk, om goed te functioneren, de
ethiek nodig; niet zomaar een ethiek, maar
een mensvriendelijke ethiek. Tegenwoordig wordt
er veel gesproken over ethiek op het gebied van
economie, financiën en ondernemingen. Er
ontstaan studiecentra en opleidingsprogramma’s
voor business ethics; in de wereld van
de hoogontwikkelde landen verbreidt zich, als
onderdeel van de beweging die is ontstaan rondom
de sociale verantwoordelijkheid van de
onderneming, het systeem van de ethische
certificaten. Banken bieden zogenaamde
“ethische” bankrekeningen en investeringsfondsen
aan. Er wordt “ethische financiering”
ontwikkeld, in het bijzonder door microkrediet
en meer in het algemeen door microfinanciering.
Deze ontwikkelingen vragen om erkenning en
verdienen brede ondersteuning. Hun positieve
uitwerking is ook in minder ontwikkelde delen
van de wereld waar te nemen. Het is echter goed
ook een deugdelijk onderscheidingscriterium op
te stellen, daar er een zekere ‘slijtage’ van
het woord “ethisch” geconstateerd kan worden
dat, als het algemeen gebruikt wordt, ook heel
verschillende betekenissen kan hebben. Dat kan
zover gaan, dat onder de dekmantel van dat woord
keuzes worden gemaakt en beslissingen genomen,
die in tegenspraak zijn met de gerechtigheid en
het ware welzijn van de mens.Veel hangt namelijk
af van het morele referentiekader. Aangaande dit
onderwerp kan de sociale leer van de Kerk een
bijzondere bijdrage leveren, die gebaseerd is op
de schepping van de mens als “beeld en
gelijkenis van God” (Gen. 1,27), een feit
waarvan zowel de onaantastbare waardigheid van
de menselijke persoon, als de transcendente
waarde van de natuurlijke, morele normen zijn
afgeleid. Een economische ethiek die van deze
twee zuilen zou afzien, zou het onvermijdelijke
gevaar lopen de morele kwaliteit te verliezen en
zich tot instrument te laten maken; nog juister
gezegd, die zou riskeren ondergeschikt te worden
aan de bestaande economische en financiële
systemen, in plaats van de misstanden daarvan te
corrigeren. Zo’n ethiek zou uiteindelijk
ondermeer ook de financiering van ethisch niet
te verantwoorden projecten rechtvaardigen.
Verder mag het woord “ethisch” niet gebruikt
worden om ideologisch onderscheid aan te
brengen, als men daarmee te verstaan geeft dat
initiatieven die zich niet formeel met deze
aanduiding sieren, niet ethisch zouden zijn. Men
moet zich er niet alleen voor inspannen – deze
opmerking is hier van wezenlijk belang! – dat er
“ethische” sectoren en terreinen op het gebied
van de economie of het geldwezen ontstaan, maar
dat de gehele economie en het gehele geldwezen
ethisch zijn en niet alleen door een uiterlijke
etikettering, maar door het eerbiedigen van de
eisen die behoren tot het wezen van hun natuur.
Wat dit betreft is de meest recente sociale leer
van de Kerk heel duidelijk, als zij eraan
herinnert dat de economie, met alle
deelgebieden, zelf een deelgebied van de
veelsoortige menselijke activiteit is.113
46. Als men de thematiek beschouwt, die zich
bezig houdt met de relatie tussen
onderneming en ethiek, evenals de
ontwikkeling die het productiesysteem doormaakt,
dan lijkt het alsof het tot nu algemeen
verbreide onderscheid tussen bedrijven met
winstoogmerk (profit) en organisaties
zonder winstoogmerk (non profit) niet
langer in staat is rekenschap te geven van de
daadwerkelijke situatie of effectief vorm te
geven aan toekomstige ontwikkelingen. In de
laatste decennia is een breed gebied ontstaan
dat tussen beide soorten onderneming in ligt.
Het bestaat uit traditionele ondernemingen, die
echter toch overeenkomsten voor hulp aan
onderontwikkelde landen hebben ondertekend, uit
caritatieve instellingen die gepromoot worden
door individuele bedrijven, uit groepen van
ondernemingen die gericht zijn op doelen met
sociaal nut, uit de bonte wereld van de
vertegenwoordigers van de zogenaamde openbare
economie en de gemeenschapseconomie. Het gaat
niet alleen om een “derde sector”, maar om een
nieuwe, omvangrijke, samengestelde
werkelijkheid, die de particuliere en de
openbare sector omvat en winst niet uitsluit,
doch die beschouwt als middel voor de
verwezenlijking van menselijke en sociale
doelen. De vraag of deze ondernemingen de
winsten al dan niet verdelen, of dat ze een of
andere structuur hebben, die is voorzien door
bestaande juridische regels, is van secundair
belang, gegeven hun bereidheid de winst te zien
als middel om te komen tot een vermenselijking
van de markt en de samenleving. Het is te wensen
dat deze nieuwe bedrijfsvormen in alle landen
ook een bijpassende juridische en fiscale
structuur zullen vinden. Zonder de traditionele
bedrijfsvormen iets van hun economische
betekenis en nut te ontnemen, zorgen de nieuwe
vormen ervoor dat het systeem zich ontwikkelt
tot een meer heldere en volkomen aanvaarding van
de verplichtingen van de kant van de
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. En
niet alleen dat. Juist de veelsoortigheid
van de institutionele bedrijfsvormen zou een
menselijkere en tegelijkertijd concurrerende
markt moeten doen ontstaan.
47. De toename van de verschillende soorten
ondernemingen, en in het bijzonder van diegene
die in staat zijn winst te zien als een middel
om het doel van de vermenselijking van de markt
en van de samenleving te bereiken, moet ook
nagestreefd worden in die landen die lijden
onder uitsluiting of marginalisering van de
globale economische kringloop. Daar is het zeer
belangrijk projecten van subsidiariteit te
presenteren, op aangepaste wijze ontworpen en
geleid, die bovenal rechten trachten te
bevestigen, maar waarbij ook altijd de overname
van overeenkomstige verantwoordelijkheden wordt
voorzien. In de bijdragen tot ontwikkeling
moet het principe van de centrale plaats van
de menselijke persoon veilig gesteld
worden, die het subject is dat op de eerste
plaats de verplichting tot ontwikkeling op zich
moet nemen. De belangrijkste zorg is de
verbetering van de levenssituatie van concrete
mensen in een bepaald gebied, zodat zij de
verplichtingen kunnen nakomen die zij door de
noodsituatie waarin ze verkeren niet kunnen
vervullen. Die zorg kan nooit een abstracte
houding zijn. Om aan de individuele situaties te
worden aangepast, moeten
ontwikkelingsprogramma’s flexibel zijn; en de
mensen die de hulp krijgen moeten direct
betrokken worden bij de planning van het project
en tot de belangrijkste uitvoerders ervan worden
gemaakt. Ook is het noodzakelijk de criteria van
een stapsgewijze en begeleidende voortgang –
inclusief de voortdurende controle van de
resultaten – toe te passen, daar er geen
universeel geldige recepten zijn. Veel hangt af
van de concrete uitvoering van de
hulpprogramma’s. “Omdat alle volken de bewerkers
zijn van hun eigen ontwikkeling, ligt de
verantwoordelijkheid daarvoor allereerst bij
henzelf; zij zullen haar echter onmogelijk
kunnen verwerkelijken, wanneer zij van elkaar
geïsoleerd blijven leven”.114 Met het
oog op de consolidering van de voortschrijdende
eenwording van de aarde, winnen deze woorden van
Paus Paulus VI nog meer aan kracht. De dynamiek
van mensen erbij betrekken heeft niets
mechanisch. Oplossingen moeten op basis van een
zorgvuldige inschatting precies op het leven van
de volken en concrete personen toegesneden
worden. Naast grote projecten is er behoefte aan
kleine projecten en bovenal aan de actieve
mobilisering van alle leden van de
burgermaatschappij, zowel rechtspersonen als
natuurlijke personen.
Internationale samenwerking heeft
behoefte aan mensen die door de solidariteit van
hun aanwezigheid, begeleiding, vorming en
respect delen in het economische en menselijke
ontwikkelingsproces. Vanuit dit gezichtspunt
zouden internationale organisaties zelf wel eens
naar de daadwerkelijke effectiviteit van hun
dikwijls veel te dure bureaucratische
bestuursapparaten mogen kijken. Soms komt het
voor dat de degenen die hulp ontvangen voor de
hulpverleners tot middel worden en de armen
dienen om dure bureaucratieën overeind te
houden, die omwille van hun eigen voortbestaan
veel te hoge bedragen voor zichzelf houden uit
de financiële middelen, die eigenlijk voor
ontwikkeling bestemd zouden moeten worden. Het
zou dus te wensen zijn, dat alle internationale
instellingen en niet-gouvernementele
organisaties zich zouden verplichten tot een
grotere transparantie, door de gevers, alsook
het grote publiek, te informeren over welk
percentage van de ontvangen gelden voor het
samenwerkingsprogramma bestemd is, over de
werkelijke inhoud van zulke programma’s en
uiteindelijk over de verdeling van de uitgaven
van de instelling zelf.
48. Het thema van ontwikkeling is vandaag de dag
sterk gebonden aan de verplichtingen die
voortkomen uit de relatie van de mens met
het natuurlijke milieu. Het milieu is een
gave van God aan alle mensen. De omgang ermee
vormt voor ons een verantwoordelijkheid jegens
de armen, de toekomstige generaties en de gehele
mensheid. Als de natuur, en bovenal de mens, als
product van toeval of evolutionair determinisme
wordt beschouwd, wordt het
verantwoordelijkheidsgevoel van het geweten
zwakker. De gelovige erkent daarentegen in de
natuur het wonderbaarlijke werk van het
scheppend ingrijpen van God, dat de mens
verantwoordelijk mag gebruiken, om met eerbied
voor het innerlijk evenwicht van de schepping
zelf, zijn rechtmatige materiële en geestelijke
behoeften te bevredigen. Als deze zienswijze
verdwijnt, zal ten slotte de mens de natuur
ofwel beschouwen als een onaantastbaar taboe of
haar, in tegendeel, uitbuiten. Noch de ene, noch
de andere houding strookt met de christelijke
kijk op de natuur, die de vrucht van Gods
schepping is.
De natuur geeft uitdrukking aan een plan van
liefde en waarheid. Ze is er eerder dan wij
en wordt ons door God geschonken als
levensruimte. Zij spreekt tot ons over de
Schepper (vgl. Rom. 1,20) en over Zijn liefde
tot de mens. Ze is ertoe bestemd aan het einde
der tijden met Christus “verenigd te worden”
(vgl. Ef. 1,9-10; Kol. 1, 19-20). Zo is ze ook
een “roeping”.115 De natuur staat ons
niet ter beschikking als “een hoop toevallig
verstrooid afval”116, maar als een
gave van de Schepper, die in haar een inherente
ordening heeft gegrift, opdat de mens daaruit de
aangeboden mogelijkheden haalt “om haar te
bewerken en te beheren” (Gen.2,15). Maar ook
moet worden benadrukt dat het in tegenspraak is
met de ware ontwikkeling om de natuur
belangrijker te vinden dan de menselijke
persoon. Deze instelling verleidt tot nieuw
heidendom of een nieuw pan-theïsme: uit een
zuiver naturalistisch begrepen natuur alleen kan
men het heil voor de mens niet afleiden. Toch
moet men ook de tegenovergestelde houding
afwijzen, die streeft naar een volledige
vertechnisering van de natuur, omdat het
natuurlijke milieu niet alleen materie is
waarover wij naar believen kunnen beschikken,
maar het wonderbare werk van de Schepper, dat
een “grammatica” in zich draagt voor doelen en
criteria voor een wijs, en niet slechts
functioneel en willekeurig gebruik. Veel schade
voor de ontwikkeling komt vandaag de dag voort
uit deze verwrongen opvattingen. Het volledig
terugbrengen van de natuur tot een aantal
eenvoudige gegevens blijkt uiteindelijk de bron
te zijn van het geweld jegens het milieu en
leidt tot respectloos handelen jegens de natuur
van de mens zelf. Daar deze niet alleen uit
materie maar ook uit geest bestaat, en als
zodanig rijk aan zin en te bereiken
transcendente doelen is, is zij ook normatief
voor de cultuur. De mens interpreteert en vormt
het natuurlijke milieu door de cultuur, die van
haar kant bepaald wordt door de
verantwoordelijke vrijheid, die de geboden van
de morele wet in acht neemt. Projecten voor een
totale menselijke ontwikkeling mogen daarom de
toekomstige generaties niet uit het oog
verliezen, maar moeten gekarakteriseerd worden
door solidariteit en gerechtigheid tussen de
generaties, rekening houdend met
veelsoortige aspecten – op ecologisch,
juridisch, economisch, politiek en cultureel
gebied.117
49. Bij de vragen die samenhangen met de zorg
voor en het behoud van het milieu moet vandaag
de dag rekening worden gehouden met het daarmee
samenhangende energieprobleem. Het
opkopen van niet-hernieuwbare energiebronnen
door sommige staten, invloedrijke groepen en
ondernemingen vormt namelijk een zwaarwegend
obstakel voor de ontwikkeling van de arme
landen. Die beschikken noch over de economische
middelen om zich toegang te verschaffen tot de
bestaande, niet-hernieuwbare energiebronnen,
noch kunnen ze onderzoek financieren naar nieuwe
en alternatieve bronnen van energie. Het opkopen
van natuurlijke hulpbronnen, die zich in veel
gevallen juist in de arme landen bevinden, leidt
tot uitbuiting en veelvuldige conflicten tussen
naties en ook binnen de landen zelf. Zulke
conflicten worden dikwijls juist op het
grondgebied van die landen uitgevochten, waarbij
een zware tol wordt geëist van dood,
vernietiging en verder verval. De internationale
gemeenschap heeft de onontkoombare opgave om met
institutionele middelen paal en perk te stellen
aan de exploitatie van niet-hernieuwbare
hulpbronnen, en daarbij ook de arme landen te
betrekken, om samen met hen plannen voor de
toekomst te maken.
Ook hier bestaat de dringende morele
noodzaak van een hernieuwde
solidariteit, in het bijzonder wat betreft
de betrekkingen tussen de ontwikkelingslanden en
de hooggeïndustrialiseerde landen.118
De technologisch geavanceerde samenlevingen
kunnen en moeten hun energiegebruik verminderen,
doordat de productie in de verwerkende industrie
zich verder ontwikkelt, maar ook doordat er zich
onder de burgers een grotere gevoeligheid voor
het milieu verspreidt. Bovendien moet men
daaraan toevoegen dat het vandaag de dag
mogelijk is zowel de energiecapaciteit te
verbeteren, als tegelijkertijd onderzoek naar
alternatieve energiebronnen te bespoedigen. Er
is echter ook een wereldwijde herverdeling van
energiereserves noodzakelijk, zodat ook landen
die niet over eigen bronnen beschikken daar
toegang toe kunnen krijgen. Hun lot mag niet
liggen in de handen van degene die het eerst
komt of afhankelijk zijn van het recht van de
sterkste. Het gaat hier om aanzienlijke
problemen die, als ze op passende wijze
aangepakt zullen worden, van iedereen de
verantwoordelijke bewustwording vereist van de
gevolgen die de volgende generaties zullen
treffen, vooral de zeer vele jongeren bij de
arme volken die “een actief aandeel in de opbouw
van een menselijker wereld [verlangen]”.119
50. Deze verantwoordelijkheid geldt wereldwijd,
want die betreft niet alleen energie maar de
gehele schepping, die wij niet uitgeput aan de
nieuwe generatie mogen nalaten. Het is de mens
toegestaan een verantwoordelijk
rentmeesterschap over de natuur uit te oefenen,
om deze te beschermen, te gebruiken en ook op
nieuwe manieren en met geavanceerde
technologieën te cultiveren, zodat zij de
bevolking die haar bewoont waardig onderdak en
voedsel kan verschaffen. Er is op onze wereld
voor iedereen plaats; hier moet de gehele
familie van de mensheid de noodzakelijke
hulpbronnen vinden, om met de hulp van de natuur
zelf – het geschenk van God aan Zijn kinderen –
en met de inzet van eigen werk en
vindingrijkheid, waardig te leven. Wij moeten
echter ook wijzen op de zeer ernstige
verplichting de aarde door te geven aan
toekomstige generaties, in een zodanige toestand
dat ook zij haar waardig kunnen bewonen en haar
verder cultiveren. Dit houdt in dat we het tot
onze plicht moeten rekenen “gezamenlijke
beslissingen te nemen na een verantwoorde
afweging ten aanzien van de weg die moet worden
ingeslagen, beslissingen die gericht zijn op de
versterking van het verbond tussen de mensen
en het milieu, een verbond dat een
weerspiegeling moet zijn van de creatieve liefde
van God, van wie wij komen en naar wie wij op
weg zijn”.120 Men kan alleen maar
wensen dat de internationale gemeenschap en de
individuele regeringen effectief kunnen
verhinderen dat het milieu op schadelijk wijze
wordt geëxploiteerd. Het is eveneens
noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten er
zich volledig voor inzetten dat de economische
en sociale kosten voor het gebruik van algemene
milieubronnen openlijk worden erkend, en
volledig worden gedragen door de degenen die
ervan profiteren, en niet door andere volken of
toekomstige generaties. De bescherming van het
milieu, van hulpbronnen en van het klimaat
vereist dat allen die op internationaal vlak
verantwoordelijkheid dragen gezamenlijk handelen
en bereid zijn te werken in goed vertrouwen, in
overeenstemming met de wet en in solidariteit
met de zwakste regio’s van onze planeet.121
Een van de grootste opgaven van de economie is
nu juist het efficiënte gebruik van de
hulpbronnen, niet het verkwisten ervan, waarbij
men zich ervan bewust moet zijn dat het begrip
efficiëntie niet waardeneutraal is.
51. De gedragspatronen volgens welke de
mens het milieu behandelt beïnvloeden de
gedragspatronen volgens welke hij zichzelf
behandelt en omgekeerd. Dat daagt de
huidige samenleving ertoe uit ernstig na te
denken over haar levensstijl, die in veel delen
van de wereld neigt tot hedonisme en
consumentisme en onverschillig staat tegenover
de daaruit voortvloeiende schade.122
Noodzakelijk is een waarachtige verandering van
gezindheid, die ons aanspoort tot het aannemen
van nieuwe levenswijzen, “waarin het
zoeken naar het ware, het schone en het goede en
de gemeenschap met andere mensen de elementen
zijn voor een gezamenlijke groei, die de keuzen
bepalen wat betreft consumptie, sparen en de
investeringen”.123 Iedere
beschadiging van burgerlijke solidariteit en
vriendschap schaadt het milieu, zoals anderzijds
milieuschade ontevredenheid in sociale
betrekkingen veroorzaakt. Vooral in onze tijd is
de natuur zo zeer geïntegreerd in de sociale en
culturele dynamiek, dat ze bijna geen
onafhankelijke variabele meer vormt. De
voortschrijdende woestijnvorming en de afnemende
productiviteit van sommige agrarische gebieden
zijn ook het gevolg van de verarming en de
achtergebleven ontwikkeling van de plaatselijke
bewoners. Door het bevorderen van de economische
en de culturele ontwikkeling van die
bevolkingsgroepen beschermt men ook de natuur.
Hoeveel natuurlijke hulpbronnen worden bovendien
niet door oorlogen vernietigd! De vrede van
volken en tussen volken zou ook een grotere
bescherming van de natuur mogelijk maken. Het
opkopen van hulpbronnen, in het bijzonder van
water, kan ernstige conflicten veroorzaken onder
de betrokken bevolking. Een vreedzame
overeenstemming over het gebruik van de
hulpbronnen kan de natuur, en tegelijk het
welzijn van de betrokken samenlevingen,
beschermen.
De Kerk draagt verantwoordelijkheid voor de
schepping en moet die verantwoordelijkheid
ook in het openbaar kenbaar maken. En als zij
dat doet, moet zij niet alleen de aarde, het
water en de lucht verdedigen als gaven van de
schepping, die aan iedereen toebehoren. Zij moet
bovenal de mens beschermen tegen
zelfvernietiging. Er moet zoiets zijn als een
goed begrepen ecologie van de mens. De
beschadiging van de natuur hangt namelijk nauw
samen met de cultuur, die vorm geeft aan de
menselijke samenleving. Als in de
samenleving de “menselijke ecologie”124
geëerbiedigd wordt, profiteert de ecologie van
het milieu daar ook van. Zoals de
menselijke deugden met elkaar verbonden zijn,
zodat de verzwakking van één deugd ook de andere
in gevaar brengt, zo steunt het ecologische
systeem op een plan dat zowel de gezonde
samenleving in de maatschappij als de goede
verhouding ten opzichte van de natuur betreft.
Om de natuur te beschermen is het niet genoeg
met aansporende of beperkende maatregelen in te
grijpen, en ook passend onderricht is niet
voldoende. Dat zijn belangrijke hulpmiddelen,
maar het doorslaggevende probleem is het
morele gedrag van de samenleving. Als het
recht op leven en op een natuurlijke dood niet
geëerbiedigd wordt, als conceptie, zwangerschap
en de geboorte van de mens op kunstmatige wijze
plaats hebben, als embryo’s worden opgeofferd
voor onderzoek, dan verdwijnt uiteindelijk het
begrip “menselijke ecologie”, en daarmee het
begrip “ecologie van het milieu”, uit het
algemeen bewustzijn. Het is inconsequent van de
nieuwe generatie wel eerbied voor het
natuurlijke milieu te eisen, indien opvoeding en
wetgeving hen niet helpen eerbied voor zichzelf
te hebben. Het boek van de natuur is één en
ondeelbaar, wat betreft het milieu, maar ook wat
betreft het leven en het terrein van
seksualiteit, huwelijk, gezin, sociale
betrekkingen, kortom de integrale ontwikkeling
van de mens. Onze plichten ten opzichte van het
milieu zijn verbonden met de plichten die wij
tegenover de mens op zich en met betrekking tot
anderen hebben. Men kan niet de ene plicht eisen
en de andere wegdrukken. Dit vormt een
zwaarwegende tegenstrijdigheid in de huidige
mentaliteit en praktijk, die de mens vernedert,
het milieu aantast en de samenleving beschadigt.
52. De waarheid en de liefde die deze ontsluit
kunnen niet gemaakt worden; men kan ze alleen
ontvangen. Hun uiteindelijke bron is niet de
mens en kan ook de mens niet zijn, maar alleen
God, dat wil zeggen Hij die de waarheid en de
liefde is. Dit principe is zeer belangrijk voor
de samenleving en voor de ontwikkeling, daar
geen van beide een zuiver menselijk product
kunnen zijn. Evenzo is de roeping tot de
ontwikkeling van de mensen en van de volkeren
niet slechts gebaseerd op een menselijke
beslissing, doch is gegrift in een plan dat er
eerder was dan wij en ons allen een plicht
voorhoudt die vrijwillig moet worden aanvaard.
Dat wat er eerder was dan wij en dat wat ons
vormt – de liefde en de waarheid – toont ons wat
het goede is en waarin ons geluk bestaat.
Het toont ons dus de weg tot de ware
ontwikkeling.
HOOFDSTUK V: DE SAMENWERKING VAN DE FAMILIE VAN
DE MENSHEID
53. Een van de ergste vormen van armoede die de
mens kan ervaren is eenzaamheid. Op de keper
beschouwd vinden ook de andere vormen van
armoede, inclusief materiële armoede, hun
oorsprong in isolement, in niet-geliefd-zijn of
in het onvermogen lief te hebben. Dikwijls
ontstaan die vormen door het afwijzen van de
liefde van God, door de fundamentele en
tragische neiging van de mens zich in zichzelf
op te sluiten, omdat hij denkt dat hij zichzelf
genoeg is, ofwel een onbeduidend en voorbijgaand
verschijnsel is, een “vreemde” in een toevallig
ontstaan universum. De mens is vervreemd als hij
alleen is of zich afscheidt van de
werkelijkheid, als hij ervan afziet aan een
fundament te denken of daarin te geloven.125
De mensheid in haar geheel is vervreemd, als zij
zich alleen maar wijdt aan menselijke plannen,
ideologieën en valse utopieën.126
Vandaag de dag lijkt de mensheid interactiever
dan gisteren. Deze grotere nabijheid moet echter
tot gemeenschap worden. De ontwikkeling van de
volken hangt er bovenal van af dat de mensen
erkennen dat ze één enkele familie zijn, die in
een echte gemeenschap samenwerkt en die bestaat
uit individuen die niet alleen maar naast elkaar
leven.127
Paus Paulus VI merkte op “dat de wereld maar al
te vaak in crisis verkeert, omdat zij over deze
dingen niet nadenkt”.128 Deze
uitspraak behelst een constatering, maar vooral
ook een wens: er is behoefte aan een nieuwe
denkimpuls, om de implicaties van het feit dat
wij één familie zijn beter te begrijpen. De
interactie tussen de volken van deze aarde roept
ons op tot deze impuls, opdat de integratie tot
stand komt in het teken van solidariteit129,
en niet van marginalisatie. Zulk denken
verplicht ook tot kritische en evaluerende
verdieping van wat men onder relatie
verstaat. Het gaat hierbij om een opgave die
niet alleen door de sociale wetenschappen kan
worden uitgevoerd, daar de bijdrage van
wetenschappen zoals metafysica en theologie
hierbij vereist is, om de transcendente
waardigheid van de mens duidelijk te begrijpen.
De mens als geestelijk schepsel verwerkelijkt
zich door intermenselijke relaties. Hoe meer hij
die relaties op authentieke wijze beleeft, des
te meer rijpt ook zijn eigen persoonlijke
identiteit. Niet door afzondering komt de mens
tot zijn recht, maar door zichzelf in relatie
met anderen en met God te plaatsen. De betekenis
van zulke relaties is dan ook fundamenteel. Dat
geldt ook voor de volken. Daarom is voor hun
ontwikkeling een metafysische kijk op de relatie
tussen personen zeer bevorderlijk. Wat dit
betreft vindt de rede inspiratie en oriëntering
in de christelijke openbaring, volgens welke het
individu niet wordt geabsorbeerd door de
menselijke gemeenschap, waarbij zijn autonomie
vernietigd wordt – zoals dat bij de
verschillende vormen van totalitarisme gebeurt.
Veeleer doet in het christelijk denken de
gemeenschap de waarde van de persoon meer tot
zijn recht komen, juist omdat de relatie tussen
persoon en gemeenschap er een is van twee zich
van elkaar onderscheidende eenheden.130
Zoals de gemeenschap van het gezin de individuen
waardoor het wordt gevormd niet in zich laat
opgaan, en zoals de Kerk zelf de “nieuwe
schepping” (vgl. Gal. 6,15; 2 Kor. 5,17) die
door het Doopsel bij haar wordt ingelijfd,
volledig doet uitkomen, zo doet ook de eenheid
van de familie van de mensheid de personen,
volken en culturen niet verdwijnen, doch maakt
ze voor elkaar transparanter en verenigt ze
sterker in hun legitieme veelsoortigheid.
54. Het thema van de ontwikkeling van de volken
valt samen met het betrekken van alle personen
en volken bij de ene gemeenschap van de familie
van de mensheid, gegrondvest op de fundamentele
waarden van gerechtigheid en vrede in
solidariteit. Deze visie wordt door de
onderlinge relatie van de Personen van de
Drie-eenheid in het ene Goddelijk Wezen helder
verlicht. De Drie-eenheid is volmaakte eenheid,
voor zover de drie Goddelijke Personen zuiver
relatie zijn. De wederzijdse transparantie
tussen de Goddelijke Personen is volledig en de
onderlinge band volkomen, want Zij vormen een
absolute eenheid en uniciteit. God wil ook ons
in deze werkelijkheid van gemeenschap opnemen:
“opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn” (Joh.
17,22). De Kerk is teken en werktuig van deze
eenheid.131 Ook de relaties tussen
mensen in de loop van de geschiedenis kunnen
alleen maar profiteren van betrokkenheid op dit
Goddelijke Model. In het bijzonder in het licht
van het geopenbaarde mysterie van de
Drie-eenheid begrijpt men dat een echte opening
geen centrifugale verstrooiing betekent, maar
juist diepe doordringing. Dit blijkt ook uit de
gemeenschappelijke menselijke ervaring van de
liefde en de waarheid. Zoals de sacramentele
liefde echtgenoten geestelijk tot “één vlees”
(Gen. 2,24; Mt. 19,5; Ef. 5,31) verenigt, en uit
de twee een echte relationele eenheid maakt, zo
verbindt op analoge wijze de waarheid de geesten
met elkaar en laat hen in harmonie denken, door
hen naar zich toe te trekken en in zich te
verenigen.
55. De christelijke openbaring aangaande de
eenheid van het menselijk geslacht
vooronderstelt een metafysische interpretatie
van het humanum, waarin het vermogen
tot relatie een wezenlijk element vormt. Ook
andere culturen en godsdiensten leren
broederlijkheid en vrede en zijn daarom voor de
integrale ontwikkeling van de mens van groot
belang. Er zijn echter ook religieuze en
culturele houdingen waarin het principe van
liefde en waarheid niet volledig aanvaard wordt
en waardoor zo uiteindelijk de echte menselijke
ontwikkeling afgeremd of zelfs belemmerd wordt.
De wereld van vandaag is doortrokken met enkele
culturen met een religieuze achtergrond, die de
mens niet tot gemeenschap verplichten, doch hem
op zoek naar het individuele welzijn isoleren,
door zich te beperken tot de bevrediging van
psychologische verwachtingen. Ook een zekere
verbreiding van religieuze wegen van kleine
groepen of zelfs van individuele personen en het
religieuze syncretisme kunnen factoren zijn van
verstrooiing en een gebrek aan betrokkenheid.
Een mogelijk negatief effect van het
globaliseringsproces is de tendens zulk
syncretisme te bevorderen132 en
daarbij vormen van “godsdienst” te koesteren,
die de mensen van elkaar doen vervreemden, in
plaats van elkaar te laten ontmoeten, en hen van
de werkelijkheid verwijderen. Tegelijkertijd
blijven soms culturele en religieuze erfenissen
bestaan, die de samenleving in verstarde sociale
kasten inperken, in vormen van magisch geloof
die de waardigheid van de persoon niet
respecteren, en in houdingen van onderwerping
aan occulte machten. In dergelijke situaties is
het voor de liefde en de waarheid moeilijk zich
te laten gelden, hetgeen schade voor de echte
ontwikkeling met zich mee brengt.
Terwijl het van de ene kant waar is dat de
ontwikkeling de godsdiensten en culturen van de
verschillende volken nodig heeft, is het op
grond hiervan anderzijds ook zo dat er een
passend onderscheid gemaakt moet worden.
Godsdienstvrijheid betekent niet godsdienstige
onverschilligheid en brengt niet met zich mee
dat alle godsdiensten gelijk zijn.133
Vooral diegenen die politieke macht uitoefenen
moeten onderscheid maken ten aanzien van de
bijdrage van culturen en godsdiensten aan de
opbouw van de sociale gemeenschap, met aandacht
voor het algemeen welzijn. Een dergelijk
onderscheid moet gebaseerd zijn op het criterium
van liefde en waarheid. Daar de ontwikkeling van
de mensen en de volken op het spel staat, zal
dit onderscheid rekening moeten houden met de
mogelijkheid tot emancipatie en insluiting, dit
met het oog op een werkelijk universele
gemeenschap van mensen. “De gehele mens en alle
mensen”, dat is het criterium om ook culturen en
godsdiensten te beoordelen. Het christendom, de
godsdienst van “de God die een menselijk gelaat
heeft”,134 draagt dit criterium in
zich.
56. De christelijke godsdienst en andere
godsdiensten kunnen hun bijdrage aan de
ontwikkeling alleen leveren, als God ook een
plaats heeft in het publiek domein, vooral wat
betreft de culturele, sociale, economische en in
het bijzonder de politieke dimensies. De sociale
leer van de Kerk is ontstaan om aanspraak te
maken op dit “statuut van burgerschap”135
voor de christelijke godsdienst. Iemand het
recht weigeren zijn eigen geloof openlijk te
belijden en zich ervoor in te zetten dat ook het
openbare leven over de geloofswaarheden wordt
onderricht, heeft negatieve gevolgen voor de
ware ontwikkeling. Het uitsluiten van godsdienst
van het publieke domein – en van de andere kant
religieus fundamentalisme – belemmert de
ontmoeting tussen mensen en hun samenwerking
voor de vooruitgang van de mensheid. Het
openbare leven verliest aan motivatie en de
politiek krijgt een onverdraagzaam en agressief
gezicht. De mensenrechten lopen gevaar niet
geëerbiedigd te worden, ofwel omdat zij van hun
transcendente fundament worden beroofd, ofwel
omdat de persoonlijke vrijheid niet erkend
wordt. Door secularisme en fundamentalisme
verliest men de mogelijkheid tot een vruchtbare
dialoog en doeltreffende samenwerking tussen
rede en geloof. De rede heeft steeds behoefte
aan zuivering door het geloof en dat geldt ook
voor de politieke rede, die zich niet voor
almachtig mag houden. Religie, van haar kant,
heeft steeds behoefte aan zuivering door de
rede, om haar ware menselijke gelaat te tonen.
Het afbreken van deze dialoog zou een zware tol
van de ontwikkeling van de mensheid eisen.
57. De vruchtbare dialoog tussen geloof en rede
kan het werk van sociale naastenliefde alleen
maar doeltreffender maken en vormt een passend
kader om de broederlijke samenwerking te
bevorderen tussen gelovigen en niet-gelovigen,
om in het gemeenschappelijke perspectief te
werken voor gerechtigheid en de vrede van de
mensheid. In de Pastorale Constitutie
Gaudium et spes zeggen de Concilievaders:
“Gelovigen en ongelovigen zijn het er bijna
unaniem over eens, dat alles op aarde betrokken
dient te worden op de mens, als het middelpunt
en hoogtepunt daarvan”.136 Voor de
gelovigen is de wereld niet het product van
toeval en evenmin van noodzaak, maar een plan
van God. Daarom hebben gelovigen de plicht hun
inspanningen te verenigen met die van alle
mensen van goede wil – aanhangers van andere
religies of niet-gelovigen – opdat onze wereld
werkelijk beantwoordt aan het goddelijke plan:
leven als een familie onder het oog van de
Schepper. Een bijzonder teken van liefde en een
leidend criterium voor de broederlijke
samenwerking van gelovigen en niet-gelovigen is
ongetwijfeld het subsidiariteitsbeginsel,137
uitdrukking van de onvervreemdbare vrijheid van
de mens. Subsidiariteit is bovenal een vorm van
hulp voor de persoon middels de autonomie van
middengroepen en –verbanden. Zulke hulp wordt
geboden als de persoon en de sociale subjecten
het niet op eigen kracht klaarspelen, en houdt
altijd emanciperende doelstellingen in, daar de
vrijheid en de participatie – voor zover die
overname van verantwoordelijkheid is – worden
bevorderd. Subsidiariteit eerbiedigt de
waardigheid van de persoon, doordat een subject
wordt gezien als een persoon die altijd in staat
is anderen iets te geven. Door in de
wederkerigheid de diepste gesteldheid van de
mens te erkennen, is subsidiariteit het meest
doeltreffende middel tegen iedere vorm van een
bevoogdend sociaal systeem. Zo kan de
subsidiariteit zowel de veelsoortige
structurering van de verschillende niveaus – en
daardoor de grote verscheidenheid aan subjecten
– duidelijk maken, alsook de coördinatie
daarvan. Het gaat dus om een beginsel dat
bijzonder geschikt is om de globalisering te
sturen en die te richten op een echt menselijke
ontwikkeling. Om geen gevaarlijke, universele
tirannie in het leven te roepen, moet het sturen
van de globalisering subsidiair van aard zijn,
en wel in meerdere lagen en op verschillende
niveaus. Globalisering vereist zeker een
bepaald gezag, omdat er sprake is van de vraag
naar een beoogd globaal algemeen welzijn. Zo’n
gezag moet echter op subsidiaire en gelaagde
wijze worden georganiseerd138, om de
vrijheid niet te schenden en in de praktijk
effectief te zijn.
58. Het subsidiariteitsbeginsel moet nauw
verbonden blijven met het solidariteitsbeginsel
en omgekeerd. Want zoals de subsidiariteit
zonder solidariteit afglijdt in een sociaal
particularisme, zo is het eveneens waar dat de
solidariteit zonder subsidiariteit afglijdt in
een sociaal systeem dat de behoeftigen
vernedert. Deze algemene regel moet eveneens
zorgvuldig in acht genomen worden als het gaat
om vragen met betrekking tot internationale
ontwikkelingshulp. Die kan, los van de
bedoelingen van de gevers, soms een volk in een
toestand van afhankelijkheid houden, of zelfs
situaties van plaatselijke overheersing en
uitbuiting in het hulpontvangende land in de
hand werken. Wil economische hulp oprecht zijn,
dan mag er geen sprake zijn van bijbedoelingen.
Die hulp moet worden geboden niet alleen met
betrokkenheid van de regeringen van de landen in
kwestie, maar ook van de plaatselijke
bedrijvigheid en de cultuurdragers van de
burgermaatschappij, waaronder de plaatselijke
kerken. Hulpprogramma’s moeten in steeds grotere
mate worden gekenmerkt door aanvulling en
deelname vanuit de basis. Het is namelijk waar
dat in de landen die ontwikkelingshulp ontvangen
de grootste hulpbron de rijkdom aan mensen is:
dat is het echte kapitaal dat moet groeien, om
de armste landen te verzekeren van een werkelijk
autonome toekomst. Daarom moet eraan herinnerd
worden dat op economisch gebied de belangrijkste
hulp waaraan de ontwikkelingslanden behoefte
hebben, bestaat in het stapsgewijs toelaten en
bevorderen van hun producten op de wereldmarkten
en zo hun deelname aan het internationale,
economische leven mogelijk te maken. Al te vaak
is in het verleden hulp gebruikt om slechts
marginale markten voor de producten van deze
landen te creëren. Dat was vaak het gevolg van
het feit dat er geen echte vraag naar deze
producten was. Daarom is het noodzakelijk deze
landen te helpen hun producten te verbeteren en
ze beter aan te passen aan de vraag. Bovendien
hebben sommigen vaak de concurrentie van de
invoer van – gewoonlijk agrarische – producten
uit economisch armere landen gevreesd. Niettemin
moet eraan herinnerd worden dat voor deze landen
het op de markt brengen van zulke producten
dikwijls betekent dat ze op korte en lange
termijn kunnen overleven. Een rechtvaardige en
evenwichtige wereldhandel op agrarisch gebied
kan voor iedereen voordeel hebben, zowel wat
betreft vraag als aanbod. Daarom is het niet
alleen noodzakelijk deze productie commercieel
te regelen, maar ook ondersteunende
internationale handelsregels vast te leggen en
de financiering voor de ontwikkeling te
versterken, met het doel deze economieën
productiever te maken.
59. De ontwikkelingssamenwerking mag zich niet
alleen bezighouden met de economische dimensie,
doch moet tevens een goede gelegenheid worden
tot culturele en menselijke ontmoeting. Als de
meewerkende partijen in de economisch
ontwikkelde landen geen rekening houden met de
eigen en de vreemde culturele en op menselijke
waarden gebaseerde identiteit – hetgeen soms
gebeurt – kunnen ze geen diepgaande dialoog met
de burgers van de arme landen aangaan. Als de
laatstgenoemden, op hun beurt, zich
onverschillig en zonder onderscheid te maken
openstellen voor ieder cultureel aanbod, zijn ze
niet in staat de verantwoordelijkheid voor hun
echte ontwikkeling op zich te nemen.139
De technologisch geavanceerde
samenlevingen mogen hun eigen technologische
ontwikkeling niet verwarren met een vermeende
culturele superioriteit, doch moeten bij
zichzelf soms vergeten deugden herontdekken,
waardoor ze in de loop van de geschiedenis tot
bloei zijn gekomen. Zich ontwikkelende
samenlevingen moeten trouw blijven aan wat in
hun tradities aan waarachtig menselijks
voorhanden is en vermijden dat zij automatisch
overspoeld worden door de mechanismen van de
geglobaliseerde technologische beschaving. In
alle culturen zijn er bijzondere en veelsoortige
ethische overeenkomsten, die een uitdrukking
zijn van dezelfde, door de Schepper gewilde
natuur, hetgeen door de ethische wijsheid van de
mensheid natuurwet genoemd wordt.140
Zo’n universele morele wet is de vaste grondslag
voor iedere culturele, religieuze en politieke
dialoog en stelt het veelsoortige pluralisme van
de verschillende culturen in staat zich niet los
te maken van de gemeenschappelijke zoektocht
naar het ware en het goede, en naar God.
Instemming met deze, in het hart gegrifte, wet
is daarom de voorwaarde voor iedere
constructieve sociale samenwerking. In alle
culturen zijn er lasten waarvan men zich moet
bevrijden en schaduwen waaraan men zich
onttrekken moet. Het christelijk geloof, dat
vorm aanneemt in de culturen en ze
tegelijkertijd overstijgt, kan deze helpen te
groeien in universele gemeenschap en
solidariteit, ten gunste van de
gemeenschappelijke wereldwijde ontwikkeling.
60. Bij het zoeken naar oplossingen in de
huidige economische crisis moet de
ontwikkelingshulp aan de arme landen worden
gezien als een echt middel tot het creëren van
welvaart voor allen. Welk ander hulpproject kan
een zelfs voor de wereldeconomie zo belangrijke
groei in het vooruitzicht stellen als de
ondersteuning van volken die zich nog in de
beginfase, of in een weinig gevorderde fase, van
hun economisch ontwikkelingsproces bevinden?
Vanuit dit gezichtspunt zullen de economisch
meer ontwikkelde landen al het mogelijke doen om
hogere percentages van hun bruto binnenlands
product beschikbaar te stellen voor
ontwikkelingshulp, waarbij natuurlijk de op het
niveau van de internationale gemeenschap
aanvaarde verplichtingen nagekomen moeten
worden. Ze kunnen dit ondermeer doen middels een
herziening van hun binnenlandse beleid van
sociale ondersteuning en solidariteit, door het
subsidiariteitsbeginsel toe te passen en beter
geïntegreerde systemen van sociale voorzorg op
te zetten, met actieve deelname van
privépersonen en van de burgermaatschappij. Op
die manier is het zelfs mogelijk de sociale
dienstverlening en ondersteuning te verbeteren
en tegelijkertijd financiële middelen te
besparen – ook door het wegwerken van
verkwisting en misbruik – die dan voor de
internationale solidariteit kunnen worden
bestemd. Een systeem van sociale solidariteit,
met een grotere deelname en meer organisch
opgebouwd, dat minder bureaucratisch is maar
niet minder gecoördineerd, zou het mogelijk
maken veel thans sluimerende energie in te
zetten ten bate van solidariteit onder de
volkeren.
Eveneens een mogelijkheid voor ontwikkelingshulp
zou de effectieve toepassing van de zogenaamde
fiscale subsidiariteit kunnen zijn, die het
burgers zou toestaan te beslissen over de
bestemming van delen van de belasting die ze aan
de staat afdragen. Als dit niet ontaardt in het
bevorderen van privébelangen, kan het bijdragen
tot het bevorderen van vormen van sociale
solidariteit aan de basis, waarbij het ook
onmiskenbare voordelen heeft wat betreft de
solidariteit met ontwikkeling.
61. Een bredere solidariteit op internationaal
niveau komt bovenal tot uitdrukking in de
verdere bevordering – zelfs in geval van een
economische crisis – van grotere toegang tot
scholing, die tevens een wezenlijke
voorwaarde is voor de doeltreffendheid van de
internationale samenwerking zelf. Het begrip
“scholing” slaat niet alleen op onderwijs en
opleiding tot een beroep, allebei belangrijke
fundamenten van de ontwikkeling, maar ook op de
alomvattende vorming van de persoon. Wat dit
betreft moet de nadruk worden gelegd op een
problematisch aspect: bij de opvoeding moet men
weten wat de menselijke persoon is, en de natuur
daarvan kennen. Het aanhangen van een
relativistische kijk op die natuur stelt de
opvoeding, en bovenal de morele opvoeding, voor
ernstige problemen, omdat daardoor afbreuk wordt
gedaan aan de wijdere betekenis ervan op
universeel niveau. Als men toegeeft aan een
dergelijk relativisme, worden allen armer,
hetgeen negatieve uitwerking heeft, ook op de
doeltreffendheid van de hulp aan noodlijdende
volken, die niet alleen behoefte hebben aan
economische en technische middelen, maar ook aan
pedagogische mogelijkheden en middelen, die de
mensen helpen hun volledige menselijke
verwezenlijking tot stand te brengen.
Een voorbeeld van het belang van dit probleem
biedt ons het verschijnsel van internationaal
toerisme,141 dat een aanzienlijke
factor kan zijn voor economische ontwikkeling en
culturele groei, maar ook een aanleiding tot
uitbuiting en moreel verval kan worden. De
huidige situatie biedt buitengewone
mogelijkheden, want de economische aspecten van
ontwikkeling, dat wil zeggen de geldstroom en de
opkomst van belangrijke plaatselijke
bedrijvigheid, kunnen zich verbinden met
culturele aspecten, op de eerste plaats met
scholing. In veel gevallen gebeurt dit, maar in
veel andere gevallen heeft het internationale
toerisme een verderfelijke invloed, zowel voor
de toeristen alsook voor de plaatselijke
bevolking. De laatstgenoemde wordt dikwijls met
immoreel of zelfs pervers gedrag geconfronteerd,
zoals bij het zogenaamde sekstoerisme het geval
is, waaraan veel mensen, zelfs op jeugdige
leeftijd, ten offer vallen. Het is pijnlijk vast
te stellen dat dit zich dikwijls afpeelt met
toestemming van de plaatselijke autoriteiten,
met stilzwijgen van de regeringen van de landen
waaruit de toeristen afkomstig zijn en met
medeplichtigheid van velen die in de branche
werkzaam zijn. Ook als het niet tot zulke
uitwassen komt, wordt het internationaal
toerisme niet zelden consumptief en hedonistisch
beleefd, als vlucht, en georganiseerd onder de
voorwaarden die typisch zijn voor de landen van
herkomst, zodat een echte ontmoeting met de
mensen en de cultuur niet in de hand wordt
gewerkt. Daarom moet men aan een ander toerisme
denken, dat in staat is een echt wederzijds
elkaar leren kennen te bevorderen, zonder af te
doen aan de ontspanning en het gezonde plezier.
Een dergelijk toerisme moet – ook dankzij een
nauwere band van de ervaring van internationale
samenwerking en ten gunste van de ontwikkeling –
bevorderd worden.
62. Een ander aspect dat met betrekking tot de
integrale menselijke ontwikkeling aandacht
verdient, is het verschijnsel van migratie.
Dit verschijnsel is schokkend vanwege de grote
hoeveelheid betrokken mensen, vanwege de
sociale, economische, politieke, culturele en
religieuze problemen die het veroorzaakt, en
vanwege de dramatische uitdagingen waarvoor
naties en de internationale gemeenschappen
erdoor worden gesteld. We kunnen zeggen dat we
voor een grensverleggend sociaal verschijnsel
staan, dat krachtig en vooruitziend beleid van
internationale samenwerking vereist, om het op
passende wijze aan te pakken. Zulk beleid moet
ontwikkeld worden, uitgaand van een nauwe
samenwerking tussen de landen van herkomst en de
landen van bestemming van de migranten; het moet
met passende internationale bepalingen gepaard
gaan, die verschillende wetgevende systemen met
elkaar in overeenstemming kunnen brengen, met
het doel de noden en rechten te waarborgen van
individuele migranten en gezinnen, en
tegelijkertijd die van de samenlevingen die de
emigranten opnemen. Geen land kan ertoe in staat
worden geacht alleen de migratieproblematiek van
onze tijd het hoofd te bieden. Wij allen zijn
getuigen van de last aan leed, ontbering en
hoop, die de migratiestromen met zich
meebrengen. Het is algemeen bekend hoe moeilijk
het is het verschijnsel in de hand te houden.
Toch staat vast dat de buitenlandse werknemers,
ondanks de moeilijkheden met betrekking tot hun
integratie, door hun werk een belangrijke
bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling
van het gastland en bovendien, dankzij
geldzendingen, ook een bijdrage leveren aan de
ontwikkeling van hun land van herkomst.
Uiteraard mogen deze werknemers niet als
goederen of pure arbeidskracht worden beschouwd.
Ze mogen daarom niet als een of andere
willekeurige productiefactor behandeld worden.
Iedere migrant is een menselijke persoon, die
als zodanig onvervreemdbare fundamentele rechten
heeft, die door iedereen en in elke situatie
geëerbiedigd moeten worden.142
63. Bij het beschouwen van de
ontwikkelingsproblemen kan men niet anders dan
het directe verband tussen armoede en
werkloosheid benadrukken. In veel gevallen is
armoede het resultaat van de schending van
de waardigheid van de menselijke arbeid,
zowel omdat de mogelijkheden ervan beperkt zijn
(werkloosheid, onvoldoende werkgelegenheid)
alsook omdat “de rechten die er uit
voortvloeien, vooral het recht op rechtvaardig
loon en sociale zekerheid voor de arbeider en
zijn gezin, minder gewaardeerd worden”.143
Daarom heeft mijn voorganger Johannes Paulus II
zaliger gedachtenis reeds op 1 mei 2000, naar
aanleiding van het Jubileum van de Arbeiders,
opgeroepen tot een “wereldwijde coalitie voor
waardige arbeid”144 en daarbij het
beleid van de Internationale Arbeidsorganisatie
ondersteund. Zo heeft hij dit doel als streven
voor de gezinnen in alle landen der wereld
sterke morele steun gegeven. Wat betekent het
woord “waardig” met betrekking tot arbeid? Het
betekent arbeid die in iedere samenleving de
wezenlijke waardigheid van iedere man en iedere
vrouw tot uitdrukking brengt: vrijwillig gekozen
arbeid, die de werknemers – mannen en vrouwen
–werkelijk laten deelnemen aan de ontwikkeling
van hun gemeenschap; werk dat op deze wijze de
arbeiders in de gelegenheid stelt zonder enige
discriminatie geëerbiedigd te worden; werk dat
het mogelijk maakt in de behoeften van het gezin
te voorzien en de kinderen naar school te
sturen, zonder dat deze zelf gedwongen zijn te
werken; werk dat de werknemers in staat stelt
zich vrij te organiseren en hun stem te laten
horen; werk dat voldoende ruimte laat om de
eigen persoonlijke, familiaire en geestelijke
wortels terug te vinden; werk dat gepensioneerde
werknemers verzekert van een waardige
levensstandaard.
64. Bij het beschouwen van het thema arbeid past
ook een verwijzing naar de dringende noodzaak
dat de werknemersorganisaties, die door de Kerk
altijd bevorderd en ondersteund zijn, zich
openstellen voor de nieuwe perspectieven die op
het gebied van de arbeid opduiken. Bij het
overstijgen van de grenzen van de eigen
bedrijfstak worden de werknemersorganisaties
ertoe opgeroepen zich te bekommeren om de nieuwe
problemen van onze samenleving: ik verwijs
bijvoorbeeld naar het totaal van de vragen die
sociale wetenschappers vaststellen in het
conflict tussen werknemers en consumenten.
Zonder noodzakelijkerwijs mee te gaan met de
stelling dat de centrale rol van de arbeider
plaats heeft gemaakt voor die van de consument,
lijkt het in ieder geval wel dat ook dit een
terrein is voor innovatieve
vakbondsactiviteiten. Het globale kader waarin
arbeid wordt uitgeoefend vereist ook dat de
nationale werknemersorganisaties, die zich
voornamelijk beperken tot de verdediging van de
belangen van hun eigen leden, de blik ook op de
niet-leden richten en in het bijzonder op
werknemers in ontwikkelingslanden, waar de
sociale rechten dikwijls worden geschonden. De
verdediging van deze werkenden, die ook
bevorderd wordt door geëigende initiatieven
gericht op hun land van herkomst, stelt
werknemersorganisaties in staat de echte
ethische en culturele beweegredenen op de
voorgrond te plaatsen die het hun, onder andere
sociale omstandigheden en in een andere
werkomgeving, mogelijk hebben gemaakt een
beslissende factor voor de ontwikkeling te zijn.
Van kracht blijft de traditionele leer van de
Kerk, die een geldig onderscheid maakt tussen de
rol en de taak van de werknemersorganisatie en
de politiek. Dit onderscheid stelt de
werknemersorganisaties in staat in de
burgermaatschappij het terrein te vinden dat het
meest in overeenstemming is met hun activiteit:
de noodzakelijke verdediging en bevordering van
de wereld van de arbeid en bovenal zorg te
dragen voor de uitgebuite en niet
vertegenwoordigde werknemers, wier rampzalige
toestand maar al te dikwijls aan de verstrooide
blik van de samenleving ontgaat.
65. Verder heeft het geldwezen als
zodanig behoefte aan een noodzakelijke
vernieuwing van de structuren en doelstellingen
van de manier waarop het functioneert, waardoor
in het verleden de reële economie behoorlijk
beschadigd is. Zo kan het dan weer een
instrument worden dat gericht is op betere
opbouw van welvaart en op ontwikkeling. De
gehele economie en het gehele geldwezen – niet
alleen enkele sectoren ervan – moeten volgens
ethische maatstaven als werktuigen worden
gebruikt, zodat zij passende voorwaarden
scheppen voor de ontwikkeling van de mens en van
de volken. Het is beslist nuttig, en onder
bepaalde omstandigheden noodzakelijk, financiële
initiatieven in het leven te roepen, waarbij de
humanitaire dimensie prevaleert. Maar we mogen
daarom niet vergeten dat het totale geldwezen
gericht moet zijn op de ondersteuning van de
ware ontwikkeling. Bovenal mag het voornemen
goed te doen niet tegenover het oogmerk van
daadwerkelijke productiecapaciteit van goederen
worden gesteld. Financiers moeten de waarachtig
ethische grondslag van activiteiten
herontdekken, om geen misbruik te maken van
hoogontwikkelde instrumenten, die ertoe zouden
kunnen dienen spaarders te bedriegen. Een
redelijk voornemen, transparantie en het streven
naar goede resultaten zijn verenigbaar en mogen
nooit van elkaar worden losgemaakt. Als liefde
verstandig is, kan ze ook de middelen vinden om
te handelen overeenkomstig een vooruitziende en
rechtvaardige economie, zoals veel ervaringen op
het gebied van coöperatieve kredietverenigingen
duidelijk aantonen.
Zowel regulering van de financiële sector,
waardoor zwakkere subjecten worden beschermd en
schandelijke speculaties verhinderd, alsook
pogingen om te komen tot nieuwe
financieringsvormen, bestemd voor de bevordering
van ontwikkelingsprojecten, zijn positieve
ervaringen die verdiept en bevorderd moeten
worden en tegelijkertijd appelleren aan de eigen
verantwoordelijkheid van de spaarder. Ook de
ervaring met microfinanciering, die
geworteld is de overwegingen en activiteiten van
burgerhumanisten – ik denk vooral aan het
ontstaan van de banken van lening – moet
bevestigd en uitgewerkt worden, in het bijzonder
op momenten die dramatisch kunnen worden voor
vele kwetsbare sectoren van de bevolking, die
behoed moeten worden voor de gevaren van woeker
en voor wanhoop. De zwakke groepen moet geleerd
worden zich tegen woeker te verdedigen. Zo
moeten ook de arme volken leren profijt te
trekken van het microkrediet. Op die manier
worden de mogelijkheden tot uitbuiting op deze
beide terreinen afgeremd. Daar er ook in de
rijke landen nieuwe vormen van armoede bestaan,
kan microfinanciering hulp bieden bij het
scheppen van nieuwe initiatieven en sectoren ten
gunste van de zwakke lagen van de samenleving,
zelfs in periodes van mogelijke verarming van
die samenleving.
66. De wereldwijde verbondenheid door onderlinge
netwerken heeft een nieuwe politieke macht doen
ontstaan, en wel die van de consumenten en hun
verbanden. Het gaat om een verschijnsel dat
grondig bestudeerd moet worden, omdat het
positieve elementen bevat die bevorderd moeten
worden, alsook excessen die vermeden dienen te
worden. Het is goed dat mensen zich ervan bewust
worden dat kopen niet alleen een economische
maar altijd ook een morele handeling is.
Consumenten hebben daarbij een duidelijke
sociale verantwoordelijkheid, die gepaard gaat
met de sociale verantwoordelijkheid van het
bedrijf. Consumenten moeten voortdurend worden
opgevoed met betrekking tot de rol145
die ze dagelijks vervullen en die ze met respect
voor morele principes kunnen volbrengen, zonder
de eigen economische redelijkheid van het
koopgedrag te verminderen. Juist in tijden zoals
die waarin wij leven, waarin de koopkracht zou
kunnen afnemen en matiging in consumptie nodig
zou kunnen zijn, is het ook wat betreft het
aankopen nodig andere wegen te gaan, zoals
bijvoorbeeld vormen van coöperatief inkopen,
zoals de verbruiksverenigingen die sinds de
negentiende eeuw, ook dankzij de initiatieven
van Katholieken, functioneren. Verder is het
nuttig nieuwe vormen te bevorderen van
verhandeling van producten, die afkomstig zijn
uit onderdrukte delen van de wereld, om de
producenten te verzekeren van een aanvaardbare
beloning, op voorwaarde dat het werkelijk om een
transparante markt gaat, dat de producenten niet
alleen een grotere winstmarge krijgen, maar ook
betere scholing, professionaliteit en
technologie, en dat uiteindelijk zulke
economische ervaringen ten gunste van de
ontwikkeling niet worden verbonden met
partijgebonden ideologische opvattingen. Een
effectievere rol voor consumenten, als zij
tenminste zelf niet worden gemanipuleerd door
verbanden die hen niet werkelijk
vertegenwoordigen, is wenselijk als factor in
een economische democratie.
67. Tegenover de onstuitbare toename van
wereldwijde, wederzijdse afhankelijkheid wordt,
juist ook bij een wereldwijde recessie, de
urgentie gevoeld van een hervorming, zowel van
de Verenigde Naties alsook van de
internationale economie en het geldwezen,
opdat het concept van een familie van volken
werkelijk concreet vorm gegeven kan worden.
Tegelijkertijd wordt de urgentie gevoeld
innovatieve vormen te vinden voor het in
praktijk brengen van het principe van de
verantwoordelijkheid om te beschermen146
en ook de armere naties een effectieve stem toe
te kennen bij gemeenschappelijke beslissingen.
Dit lijkt noodzakelijk, juist met het oog op een
politieke, juridische en economische orde, die
de internationale samenwerking met het oog op de
solidaire ontwikkeling van alle volken bevordert
en tot stand brengt. Om de wereldeconomie
richting te geven, de door de crisis getroffen
economieën te saneren, een verergering van de
crisis en de daaruit voortvloeiende
onevenwichtigheden te voorkomen, om een gepaste
en volledige ontwapening tot stand te brengen,
om de veiligheid en de vrede in stand te houden,
om bescherming van het milieu te garanderen en
om de migratiestromen onder controle te houden,
is een echt politiek wereldgezag
dringend noodzakelijk, zoals mijn voorganger, de
zalige Paus Johannes XXIII, reeds heeft
aangegeven. Een dergelijk gezag moet zich
onderwerpen aan de wet, zich consequent houden
aan de beginselen van subsidiariteit en
solidariteit, gericht zijn op de verwezenlijking
van het algemeen welzijn,147 zich
inzetten voor het tot stand brengen van een
werkelijk integrale menselijke ontwikkeling, die
zich laat inspireren door de waarden van liefde
in waarheid. Daarenboven moet dit gezag door
allen erkend worden, over daadwerkelijke macht
beschikken en voor iedereen veiligheid,
handhaving van gerechtigheid en eerbiediging van
rechten garanderen.148 Uiteraard moet
dit gezag de bevoegdheid hebben alle partijen de
eigen beslissingen te doen respecteren, alsook
de maatregelen waartoe de verschillende
internationale fora gezamenlijk besloten hebben.
Zonder dat zou namelijk het internationale
recht, ondanks de grote vooruitgang die op
bepaalde gebieden wordt geboekt, het gevaar
lopen te worden bepaald door de machtsverhouding
tussen de sterksten. De integrale ontwikkeling
van de volken en de internationale samenwerking
vereisen dat er een hogere instantie van
internationale orde wordt opgericht, gekenmerkt
door subsidiariteit, voor het regelen van de
globalisering149, en dat een sociale
orde die strookt met de morele orde eindelijk
verwezenlijkt wordt, evenals de verbinding
tussen moreel en sociaal terrein en tussen de
politiek en economisch en burgerlijk terrein,
zoals reeds neergelegd in de statuten van de
Verenigde Naties.
HOOFDSTUK VI: DE ONTWIKKELING VAN DE VOLKEN EN
DE TECHNIEK
68. De ontwikkeling van de volken is nauw
verbonden met die van iedere individuele mens.
De mens is van nature op dynamische wijze
gericht op zijn eigen ontwikkeling. Daarbij gaat
het niet om een door natuurlijke mechanismen
gegarandeerde ontwikkeling, want ieder van ons
weet dat hij in staat is vrije en
verantwoordelijke beslissingen te nemen. Het
gaat ook niet om een ontwikkeling die aan onze
willekeur wordt overgelaten, daar wij allen
weten dat we een gave zijn en niet ons eigen
product. Onze vrijheid wordt ten diepste bepaald
door ons wezen en de grenzen daarvan. Niemand
vormt eigenmachtig het eigen bewustzijn, maar
allen bouwen het eigen “ik” op, op basis van een
“zelf” dat ons gegeven is. We kunnen niet over
andere mensen beschikken en ook niet over
onszelf. De ontwikkeling van de mens komt
niet tot wasdom als hij zich aanmatigt dat hij
zijn eigen en enige schepper is. Op
dezelfde wijze raakt de ontwikkeling van de
volken uit de koers, als de mensheid denkt
zichzelf te kunnen herscheppen, indien ze zich
bedient van de “wonderen” van de techniek. Zo
blijkt ook de economische ontwikkeling
bedrieglijk en schadelijk te zijn als deze zich
toevertrouwt aan de “wonderen” van de financiële
wereld, om een onnatuurlijke en op consumptie
gerichte groei te steunen. Tegenover deze
prometheïsche aanmatiging moeten wij de liefde
versterken voor een vrijheid die niet
willekeurig is, doch door de erkenning van het
goede dat eraan vooraf gaat menselijker is
geworden. Daarvoor moet de mens weer tot
zichzelf komen om de fundamentele normen van de
natuurwet te erkennen, die God hem in het hart
gegrift heeft.
69. Het probleem van de ontwikkeling is vandaag
de dag nauw verbonden met de technologische
vooruitgang en met de verbazingwekkende
toepassing ervan op het gebied van de biologie.
De techniek – dat moet hier onderstreept worden
– is een verschijnsel dat ten diepste menselijk
is en verbonden met de autonomie en de vrijheid
van de mens. De macht van de geest over de
materie komt tot uitdrukking en wordt bevestigd
in de techniek. “De geest van de mens, meer vrij
van de slavernij aan de dingen, [kan]
gemakkelijker gebracht worden tot de verering en
beschouwing van de Schepper zelf”.150
De techniek stelt ons in staat de materie te
beheersen, de risico’s te verminderen, ons
moeite te besparen, de levensomstandigheden te
verbeteren. De techniek is in overeenstemming
met de wezenlijke roeping van de menselijke
arbeid: in de techniek, die gezien wordt als
werk van zijn geest, herkent de mens zichzelf en
verwezenlijkt hij zijn eigen mens-zijn. De
techniek is het objectieve aspect van de
menselijke arbeid,151 waarvan de
oorsprong en het bestaansrecht is gelegen in het
subjectieve element: de werkende mens. Daarom is
de techniek nooit alleen maar techniek. De
techniek toont de mens en zijn streven naar
ontwikkeling en brengt de spanning van de
menselijke geest tot uitdrukking bij het
stapsgewijs overwinnen van bepaalde materiële
beperkingen. De techniek voegt zich dus in
in de opdracht “de aarde te bewerken en te
beheren” (vgl. Gen, 2,15), die God de mens
heeft toebedeeld, en moet er daarom op gericht
zijn die band tussen de mens en het milieu te
versterken, die de spiegel van Gods scheppende
liefde moet zijn.
70. Technologische ontwikkeling kan verleiden
tot het idee dat de techniek op zich voldoende
is, als de mens zich slechts de vraag naar het
hoe stelt en geen aandacht besteedt aan
de vele vragen naar het waarom,
waardoor hij aangespoord wordt tot handelen. Dat
is de reden waarom de techniek twee gezichten
heeft. Omdat de techniek voortkomt uit de
menselijke creativiteit als werktuig van de
vrijheid van de persoon, kan deze als element
van absolute vrijheid worden verstaan, de
vrijheid die wil afzien van de grenzen die de
dingen in zich dragen. Het globaliseringsproces
zou ideologieën kunnen vervangen door techniek,152
die zelf tot een ideologische macht is geworden
en de mensheid blootstelt aan het gevaar zich
opgesloten te vinden in een a priori
waaruit zij niet kan uitbreken, om het wezen en
de waarheid te ontmoeten. In dat geval zouden
wij al onze levensomstandigheden erkennen,
inschatten en bepalen binnen een technocratisch
cultuurperspectief, zonder ooit een zin te
ontdekken, die wij niet zelf hebben
voortgebracht. Deze voorstelling van zaken
versterkt vandaag de dag de technische
mentaliteit zodanig dat men het ware met het
maakbare laat samenvallen. Als echter
efficiëntie en nut de enige criteria van de
waarheid zijn, wordt de ontwikkeling automatisch
ontkend. Want echte ontwikkeling bestaat niet op
de eerste plaats uit handelen. De sleutel van de
ontwikkeling is een verstand dat in staat is de
techniek te doordenken en de ten diepste
menselijke zin van het handelen van de mens te
vatten, binnen het begripsvermogen van de
persoon in de totaliteit van zijn wezen. Ook als
de mens middels een satelliet of een op afstand
bestuurde elektronische impuls werkt, blijft
zijn handelen altijd menselijk, uitdrukking van
verantwoordelijke vrijheid. De techniek heeft
grote aantrekkingskracht op de mens, omdat deze
hem bevrijdt van fysieke beperkingen en zijn
horizon verbreedt. Maar de menselijke
vrijheid is alleen werkelijk zichzelf, als ze op
de betovering van de techniek antwoordt met
beslissingen, die de vrucht zijn van morele
verantwoordelijkheid. Daaruit volgt de
dringende noodzaak tot vorming wat betreft
moreel verantwoord omgaan met techniek.
Uitgaande van de fascinatie die de techniek voor
de mens heeft, moet men de ware zin van de
vrijheid herwinnen, die niet bestaat uit de roes
van een totale autonomie, maar uit het antwoord
op de oproep van het wezen, te beginnen met het
wezen dat wij zelf zijn.
71. Deze mogelijke afwijking van de –
oorspronkelijk humanistische – technische
denkwijze is vandaag de dag duidelijk in de
vertechnisering van zowel de ontwikkeling als de
vrede. Dikwijls wordt de ontwikkeling van de
volken gezien als een kwestie van
financieringstechniek, het ontsluiten van
markten, het verlagen van invoerrechten, het
investeren in productie, institutionele
hervormingen – uiteindelijk als een puur
technische kwestie. Al deze terreinen zijn
uiterst belangrijk, maar men moet zich wel
afvragen waarom de beslissingen op technisch
gebied tot nu toe slechts gedeeltelijk hebben
gefunctioneerd. De reden daarvoor moet dieper
gezocht worden. De ontwikkeling zal nooit
volkomen gewaarborgd worden door krachten die
als het ware automatisch en onpersoonlijk zijn –
of het nu de krachten van de markt of van de
internationale politiek zijn. Zonder
rechtschapen mensen, zonder economische
deskundigen en politici, die in geweten de
oproep tot het algemeen welzijn nadrukkelijke
leven, is ontwikkeling niet mogelijk. Zowel
de professionele voorbereiding als de morele
consequentie zijn noodzakelijk. Als de
verabsolutering van de techniek doorzet, zullen
doelen en middelen met elkaar verwisseld worden;
de ondernemer zal de hoogste winst als enig
criterium voor zijn handelen beschouwen; de
politicus de consolidatie van de macht; de
wetenschapper de resultaten van zijn
ontdekkingen. Zo kan het gebeuren dat onder het
netwerk van economische, financiële of politieke
relaties toch dikwijls onbegrip, onbehagen en
ongerechtigheden voortbestaan. De stromen van
technische deskundigheid groeien aan, echter
alleen tot voordeel van de eigenaars, terwijl de
feitelijke situatie van de volken, die aan gene
zijde en bijna altijd in de schaduw van die
stromen leven, verder onveranderd blijft en geen
werkelijke mogelijkheden tot emancipatie heeft.
72. Ook de vrede loopt soms gevaar als een
technisch product beschouwd te worden – slechts
als resultaat van overeenkomsten tussen
regeringen of van initiatieven tot het zeker
stellen van doeltreffende economische hulp. Het
is juist dat de opbouw van de vrede
evenzeer het voortdurend aanknopen vereist van
diplomatieke contacten, economische en
technologische uitwisseling, culturele
contacten, overeenkomsten over
gemeenschappelijke plannen, alsook de
aanvaarding van gezamenlijk gedeelde
verplichtingen, om oorlogsdreigingen te
beteugelen en de regelmatig terugkerende
terroristische uitdagingen met wortel en tak uit
te roeien. Opdat deze pogingen duurzame effecten
zullen produceren, moeten ze echter kunnen
steunen op waarden die in de waarheid van het
leven geworteld zijn. Dat wil zeggen dat men
moet luisteren naar de stemmen van de betrokken
bevolking en hun toestand in ogenschouw nemen,
om hun verwachtingen in overeenstemming daarmee
te interpreteren. Hier moet men zich, om zo te
zeggen, op één rij stellen met de anoniem
geleverde inspanningen van zo veel mensen, die
zich er zeer voor inzetten de ontmoeting tussen
de volken te bevorderen en de ontwikkeling,
uitgaande van liefde en wederzijds begrip, te
stimuleren. Onder deze personen zijn ook
gelovige Christenen, die deel hebben aan de
grote opdracht de ontwikkeling en de vrede een
volledig menselijke zin te geven.
73. De sterk gegroeide verspreiding van de
sociale communicatiemiddelen is verbonden
met de technologische ontwikkeling. Het is
intussen bijna onmogelijk zich het bestaan van
de familie van de mensheid zonder die middelen
voor te stellen. Zowel ten goede als ten kwade
zijn ze dermate aanwezig in het leven van de
wereld, dat de mentaliteit van degenen die
beweren dat de sociale communicatiemiddelen
neutraal zijn, en daarom eisen dat ze moeten
worden beschouwd als autonoom wat betreft de op
de mensen betrekkinghebbende moraal, werkelijk
absurd lijkt. Dergelijke zienswijzen, die de
strikt technische aard van de media nadrukkelijk
beklemtonen, werken in feite dikwijls in de hand
dat deze ondergeschikt gemaakt worden aan
economische berekening, met de bedoeling de
markt te beheersen en niet op de laatste plaats
met het verlangen culturele modellen op te
leggen, die projecten van ideologische en
politieke macht dienen. Gegeven de fundamentele
betekenis van de media bij de bepaling van de
manier waarop de werkelijkheid en de menselijke
persoon zelf worden waargenomen en gekend, is
een zorgvuldige overweging van de invloed ervan,
in het bijzonder wat betreft de
ethisch-culturele dimensie van de globalisering
en de solidaire ontwikkeling van de volken,
noodzakelijk. In overeenstemming met datgene wat
door een juiste omgang met de globalisering en
ontwikkeling wordt geëist, moeten de zin en
de doelstelling van de media worden gezocht in
het antropologisch fundament ervan. Dat
betekent dat ze niet slechts gelegenheid tot
humanisering kunnen worden als zij, dankzij
de technologische ontwikkeling, grotere
mogelijkheden tot communicatie en informatie
bieden, maar vooral als ze worden georganiseerd
en georiënteerd in het licht van een beeld van
de mens en van het algemeen welzijn, dat de
universele betekenis daarvan weerspiegelt. De
sociale communicatiemiddelen bevorderen de
vrijheid niet, noch globaliseren ze ontwikkeling
en democratie voor allen, eenvoudigweg omdat ze
de mogelijkheden tot het leggen van verbindingen
en het verspreiden van ideeën sterk vergroten.
Om zo’n doel te bereiken moeten ze gericht zijn
op de bevordering van de waardigheid van de
mensen en van de volkeren, nadrukkelijk bezield
zijn door de liefde, en in dienst staan van de
waarheid, van het goede, alsook van de
natuurlijke en bovennatuurlijke broederlijkheid.
In de mensheid is de vrijheid namelijk nauw
verbonden met deze hogere waarden. De media
kunnen een waardevolle hulp zijn om de
gemeenschap van de familie van de mensheid en de
ethos van de samenleving te doen groeien, als
zij worden tot werktuigen ter bevordering van de
algemene deelname aan de gezamenlijke zoektocht
naar dat wat rechtvaardig is.
74. Het belangrijkste en meest beslissende
gebied van de culturele strijd tussen de
absolute aanspraken van de techniek en de morele
verantwoordelijkheid van de mens is vandaag de
dag de bio-ethiek, waar de mogelijkheid
van een totale menselijke ontwikkeling zelf op
het spel staat. Het gaat om een uiterst precair
en cruciaal gebied waar, met dramatische kracht,
de vraag wordt gesteld of de mens zichzelf heeft
voortgebracht, of dat hij afhankelijk is van
God. De wetenschappelijke ontdekkingen op dit
terrein en de mogelijkheden van technische
ingrepen lijken zo geavanceerd te zijn dat ze
ons stellen voor de keuze tussen twee soorten
van rationaliteit: de rede die openstaat voor
transcendentie of de rede die opgesloten is in
de immanentie. Zo staat men voor een beslissend
“of, of”. De rationaliteit van het op zichzelf
gerichte technische maken toont echter aan dat
het irrationeel is, omdat het een stellige
afwijzing van zin en waarde met zich meebrengt.
Het is niet toevallig dat het zich afsluiten
voor transcendentie hevig in botsing komt met de
moeilijkheid van het denken hoe uit het niets
het zijn zou zijn voortgekomen en uit het toeval
de rede.153 Geconfronteerd met deze
dramatische problemen, helpen rede en geloof
elkaar wederzijds. Alleen gezamenlijk zullen ze
de mens redden. De door zuiver technisch
handelen geboeide rede is zonder het geloof
ertoe veroordeeld zich te verliezen in de
illusie van de eigen almacht. Het geloof
zonder de rede loopt het gevaar vervreemd te
raken van het concrete leven van de mensen.154
75. Reeds Paus Paulus VI had de wereldwijde
horizon van het sociale vraagstuk erkend en erop
gewezen.155 Wie hem op deze weg
volgt, moet vandaag de dag vaststellen dat
het sociale vraagstuk op radicale wijze tot
antropologisch vraagstuk is geworden, omdat
het de mogelijkheid zelf inhoudt het leven, dat
door de bio-technologie steeds meer in de handen
van de mens wordt gelegd, niet alleen te
begrijpen maar ook te manipuleren. In de huidige
cultuur die van alle illusies wordt beroofd, die
gelooft alle geheimen blootgelegd te hebben,
omdat men reeds de wortel van het leven heeft
bereikt, komt het tot ontwikkeling en
bevordering van in-vitrofertilisatie,
embryo-onderzoek, mogelijkheden tot klonen en
hybridiseren van de mens. Hier komt de absolute
aanspraak van de techniek maximaal tot
uitdrukking. In dit soort cultuur wordt het
geweten er alleen nog toe geroepen kennis te
nemen van een zuiver technische mogelijkheid.
Men kan echter niet de verontrustende scenario’s
voor de toekomst van de mens en de nieuwe
machtige instrumenten, die de “cultuur van de
dood” ter beschikking staan, bagatelliseren.
Naast de wijdverbreide, tragische plaag van
abortus provocatus zou het in de toekomst – maar
heimelijk reeds in nuce voorhanden –
tot een systematische, eugenetische
geboorteplanning kunnen komen. Van de andere
kant wordt de weg bereid voor een mens
euthanasica (een op euthanasie gerichte
levenshouding), een niet minder schadelijke
manifestatie van de heerschappij over het leven,
dat onder bepaalde omstandigheden niet meer als
levenswaardig wordt beschouwd. Achter deze
scenario’s staan culturele opvattingen, die de
menselijke waardigheid ontkennen. Deze
praktijken zijn er, hunnerzijds, op gericht een
materiële en mechanistische opvatting over het
menselijk leven te stimuleren. Wie zal de
negatieve uitwerkingen van een dergelijke
mentaliteit op de ontwikkeling kunnen meten? Hoe
zal men zich nog kunnen verwonderen over de
onverschilligheid jegens situaties van menselijk
verval, als onverschilligheid zelfs het kenmerk
is van onze houding met betrekking tot wat
menselijk is en wat niet? De willekeurige
selectiviteit van alles wat vandaag de dag als
te eerbiedigen wordt gepresenteerd is
verbazingwekkend. Terwijl velen meteen bereid
zijn zich boos te maken over bijzaken, lijken
zij ongehoorde onrechtvaardigheden te gedogen.
Terwijl de armen van de wereld nog steeds aan de
deuren van de overvloed kloppen, loopt de rijke
wereld het gevaar dat kloppen op haar deur niet
meer te horen, als gevolg van een geweten dat
niet langer in staat is het menselijke te
herkennen. God openbaart de mens aan de mens; de
rede en het geloof werken samen om hem het goede
te tonen, als hij het maar wilde zien. De
natuurwet waarin de rede van de Schepper
oplicht, toont de grootheid van de mens, maar
ook zijn ellende, als hij de oproep tot de
morele waarheid niet aanneemt.
76. Een van de aspecten van de moderne
vertechniseerde geest wordt gevormd door de
neiging de met het innerlijk leven verbonden
vragen en emoties alleen te beschouwen vanuit
een psychologisch standpunt, tot het punt van
neurologisch reductionisme toe. Zo wordt het
innerlijk van de mens leeggemaakt en het
bewustzijn van de ontologische aard van de
menselijke ziel met haar diepten, die de
heiligen wisten te doorgronden, gaat allengs
verloren. De vraag van de ontwikkeling is
ook nauw verbonden met onze opvatting over de
ziel van de mens, omdat ons “ik” dikwijls
wordt gereduceerd tot de psyche, en de
gezondheid van de ziel wordt verward met
emotioneel welbevinden. Aan deze beperkingen
ligt een diep onbegrip van het geestelijk leven
ten grondslag. Ze leiden ertoe dat men niet wil
erkennen dat de ontwikkeling van de mens en van
de volken echter toch ook van de oplossing van
geestelijke problemen afhankelijk is. De
ontwikkeling moet behalve de materiële ook de
verstandelijke en geestelijke groei omvatten,
daar de mens “lichamelijk en geestelijk,
niettemin één wezen”156 is, geboren
uit Gods scheppende liefde en bestemd tot eeuwig
leven. De mens ontwikkelt zich als hij groeit in
de geest, als zijn ziel zichzelf kent, evenals
de waarheden die God er als kiem heeft
ingeplant, als hij met zichzelf en zijn Schepper
spreekt. Ver van God is de mens rusteloos en
ziek. De sociale en psychologische vervreemding,
en de vele neurosen die kenmerkend zijn voor
rijke samenlevingen, verwijzen ook naar oorzaken
van geestelijke aard. Een materieel ontwikkelde
maar voor de ziel beklemmende
welvaartsmaatschappij is op zich en voor zich
niet gericht op echte ontwikkeling. De nieuwe
vormen van verslaving aan drugs en de
vertwijfeling waarin veel mensen geraken, hebben
niet alleen slechts een sociologische en
psychologische maar ook een wezenlijk
geestelijke verklaring. De leegte waaraan de
ziel zich, ondanks vele therapieën voor lijf en
psyche overgelaten voelt, roept lijden op.
Er bestaat geen volledige ontwikkeling en geen
universeel algemeen welzijn zonder het
geestelijke en morele welzijn van de personen,
beschouwd in de totaliteit van ziel en lichaam.
77. De absolute aanspraak van de techniek kan
een onvermogen doen ontstaan om datgene waar te
nemen dat zich niet slechts laat verklaren
louter en alleen in termen van materie. En toch
ervaren alle mensen zoveel immateriële en
geestelijke aspecten van hun leven. Kennen is
niet alleen maar een materiële act, omdat het
gekende altijd iets verbergt dat boven het
empirische gegeven uitgaat. Ieder inzicht, zelfs
het meest eenvoudige, is altijd een klein
wonder, omdat dit zich met de materiële middelen
die wij gebruiken nooit volledig verklaren laat.
In iedere waarheid steekt meer dan wij zelf
hadden verwacht, in de liefde die wij ontvangen
is altijd iets verrassends voor ons. Wij mogen
nooit ophouden ons over dit wonder te verbazen.
In ieder inzicht en in iedere daad van liefde
ervaart de ziel van de mens een “meer”, dat zeer
op een ontvangen gave gelijkt, op een
verhevenheid, een “meer” waartoe wij ons
verhoogd voelen. Ook de ontwikkeling van de mens
en van de volken staat op een vergelijkbare
hoogte, als we de geestelijke dimensie
beschouwen, die noodzakelijkerwijs het kenmerk
van deze ontwikkeling moet zijn, opdat die echt
kan zijn. Daarvoor zijn nieuwe ogen en een nieuw
hart vereist, die in staat zijn de
materialistische kijk op de menselijke
gebeurtenissen te overwinnen en in de
ontwikkeling een “daarbovenuit” te zien, dat de
techniek niet kan geven. Op die weg zal het
mogelijk zijn die totale menselijke ontwikkeling
voort te zetten, die de richting laat bepalen
door de stuwende kracht van liefde in waarheid.
SLOT
78. Zonder God weet
de mens niet waar hij heen moet, en is niet eens
in staat te begrijpen wie hij is. Geconfronteerd
met de enorme problemen van de ontwikkeling van
de volken, die ons bijna tot moedeloosheid en
tot opgeven zouden brengen, komt ons het woord
van de Heer Jezus te hulp, die ons laat weten:
“Los van Mij kunt gij niets” (Joh. 15,5) en ons
aanmoedigt: “Ik ben met u alle dagen tot de
voleinding der wereld” (Mt. 28,20).
Geconfronteerd met de enorme hoeveelheid werk
die gedaan moet worden, worden wij in het geloof
aan Gods aanwezigheid overeind gehouden, samen
met degenen die zich in Zijn Naam aaneensluiten
en werken voor gerechtigheid. Paus Paulus VI
heeft ons er in Populorum progressio
aan herinnerd dat de mens niet in staat is zijn
vooruitgang alleen te bewerkstelligen, omdat hij
niet van zichzelf uit een waarachtig humanisme
kan grondvesten. Alleen wanneer wij bedenken dat
wij als individu en als gemeenschap geroepen
zijn, als Zijn kinderen, te behoren tot de
familie van God, zullen ook wij in staat zijn te
komen tot een nieuwe manier van denken en nieuwe
krachten in dienst van een waarachtig, integraal
humanisme te ontwikkelen. Daarom is de grootste
kracht in dienst van de ontwikkeling een
christelijk humanisme,157 dat de
liefde stimuleert en zich laat leiden door de
waarheid, door zowel de een als de ander als
blijvende gave van God te ontvangen. De
beschikbaarheid ten opzichte van God opent ons
voor de beschikbaarheid ten opzichte van de
broeders en zusters en ten opzichte van een
leven dat als solidaire en blijde opgave wordt
verstaan. Van de andere kant vormen de
ideologische geslotenheid tegenover God en het
atheïsme van de onverschilligheid, die de
Schepper vergeten en het gevaar lopen ook de
menselijke waarden te vergeten, de grote
belemmeringen voor de ontwikkeling. Het
humanisme dat God buitensluit is een onmenselijk
humanisme. Alleen een humanisme dat
openstaat voor het absolute kan ons leiden bij
de bevordering en de verwezenlijking van sociale
en burgerlijke levensvormen – op het gebied van
de structuren, de instellingen, de cultuur, de
ethos – omdat dit ons behoedt voor het gevaar
gevangenen van de mode van het ogenblik te
worden. Het is het besef van de onverwoestbare
liefde van God, dat ons steunt bij de moeizame
en toch verheven inzet voor de gerechtigheid en
voor de ontwikkeling van de volkeren, te midden
van successen en mislukkingen in het
onophoudelijk nastreven van een goede ordening
van menselijke aangelegenheden. Gods liefde
roept ons op om uit te stijgen boven alles wat
begrensd en tijdelijk is; zij geeft ons moed om
verder te werken, op zoek naar het goede
voor allen, ook als dat niet onmiddellijk te
verwezenlijken is, ook als dat wat wij kunnen
verwezenlijken – wij en de politieke
autoriteiten en de economische deskundigen –
altijd minder is dan datgene waarnaar wij
streven.158 God geeft ons de kracht
te strijden en uit liefde voor het algemeen
welzijn te lijden, omdat Hij voor ons Alles is,
onze grootste Hoop.
79. De ontwikkeling heeft behoefte aan
Christenen die de armen opheffen naar God
in het gebaar van gebed, Christenen die gedragen
worden door het bewustzijn dat de van waarheid
vervulde liefde, caritas in veritate, waarvan de
echte ontwikkeling uitgaat, niet ons werk is
maar ons geschonken wordt. Daarom moeten wij ook
in de moeilijkste en meeste complexe gevallen
niet slechts bewust reageren, maar ons voor
alles beroepen op Zijn liefde. De ontwikkeling
omvat zorg voor het geestelijk leven, ernstige
aandacht voor ervaringen van Godsvertrouwen, van
geestelijke broederlijkheid in Christus, van het
zich toevertrouwen aan de goddelijke
Voorzienigheid en barmhartigheid, van liefde en
vergeving, van zelfverloochening, van de
aanvaarding van de naaste, van gerechtigheid en
vrede. Dat alles is essentieel om het “hart van
steen” in een “hart van vlees” te veranderen
(Ez. 36, 26), om zo het leven op aarde
“goddelijk” en daarmee menswaardiger te maken.
Dit alles behoort aan de mens, omdat de
mens het subject van zijn bestaan is; en
tegelijk behoort het aan God, omdat God
staat aan het begin en het einde van alles wat
waarde heeft en verlossing schenkt: “Wereld,
leven of dood, heden of toekomst, alles is van
u, maar gij zijt van Christus en Christus is van
God” (1 Kor. 3, 22-23). Het diepe verlangen van
de Christen is dat de hele familie van de
mensheid God kan aanroepen als “Onze Vader!”
Samen met de Eniggeboren Zoon kunnen alle mensen
leren tot de Vader te bidden en Hem te vragen,
met de woorden die Jezus Zelf ons gegeven heeft,
dat zij Hem kunnen heiligen door te leven
volgens Zijn wil, het noodzakelijke dagelijkse
brood te hebben, evenals begrip en
grootmoedigheid jegens de schuldenaren, om niet
te zwaar op de proef te worden gesteld en
verlost te worden van het kwaad (vgl. Mat.
6,9-13).
Aan het einde van dit Paulusjaar wil ik
deze wens graag tot uitdrukking brengen met de
woorden van de apostel in de Brief aan de
Christenen van Rome: “Uw liefde moet
ongeveinsd zijn. Haat het kwaad, houdt vast wat
goed is. Bemint elkander hartelijk met
broederlijke genegenheid. Acht anderen hoger dan
uzelf” (12, 9.10). De Maagd Maria, die door
Paus Paulus VI tot officieel Moeder van de Kerk
is uitgeroepen en door het christelijk volk
wordt vereerd als Speculum iustitiae (Spiegel
van Gerechtigheid) en Regina Pacis (Koningin van
de Vrede), moge ons beschermen en voor ons, door
haar hemelse voorspraak, de kracht, de hoop en
de vreugde verkrijgen die wij nodig hebben om
ons verder edelmoedig te wijden aan de plicht
“de integrale ontwikkeling van de mens en van
alle mensen”159 te verwezenlijken.
Gegeven te Rome, St. Pieter, op 29 juni, het
Hoogfeest van de Heilige Apostelen Petrus en
Paulus, in het jaar 2009, het vijfde jaar van
mijn pontificaat.
BENEDICTUS PP. XVI
Vertaling dr. N. Stienstra, met medewerking
van drs. N.M. Schnell, pr.
Voetnoten:
1. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio (26 maart 1967), 22: AAS 59 (1967),
268; Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale
Constitutie over de Kerk in de Wereld van deze
tijd Gaudium et spes
2. Toespraak op de Dag van de Ontwikkeling (23
augustus 1968): AAS 60 (1968), 626-627.
3. Vgl. Johannes Paulus II, Boodschap voor
Wereldvrededag: AAS 94 (2002), 132-140.
4. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale
Constitutie over de Kerk in de Wereld van deze
tijd Gaudium et spes 26.
5. Vgl. Johannes XXIII, Encycliek Pacem in
terris (11 april 1963): AAS 55 (1963), 268-270.
6. Vgl. Nr. 16: a. w., 265.
7. Vgl. id., 82: a. w., 297.
8. Id., 42: a. w., 278.
9. Id., 20: a. w., 267.
10. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale
Constitutie over de Kerk in de wereld van deze
tijd Gaudium et spes, 36; Paulus VI, Apostolisch
Schrijven Octogesima adveniens (14 mei 1971), 4:
AAS 63 (1971), 403-404; Johannes Paulus II,
Encycliek Centesimus Annus (1 mei 1991), 43: AAS
83 (1991), 847.
11. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
13: a. w., 263-264.
12. Vgl. Pauselijke Raad voor Gerechtigheid en
Vrede, Compendium van de Sociale Leer van de
Kerk, Nr. 76.
13. Vgl. Benedictus XVI, Toespraak bij de
opening van de Vijfde Algemene Conferentie van
de Raad van Bisschoppencon-ferenties van
Latijns-Amerika en het Caraïbisch Gebied (13 mei
2007): Insegnamenti III, 1 (2007), 854-870.
14. Vgl. Nrs. 3-5: a. w., 258-260.
15. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Sollicitudo rei socialis (30 december 1987),
6-7: AAS 80 (1988), 517-519.
16. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio, 14: a. w., 264.
17. Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est
(25 december 2005), 18: AAS 98 (2006), 232.
18. Id., 6: a. w., 222.
19. Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de Leden
van de Romeinse Curie bij de Kerstontvangst (22
december 2005): Insegnamenti I (2005),
1023-1032.
20. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Sollicitudo rei socialis, 3: a. w., 515.
21. Vgl. id., 1: a. w., 513-514.
22. Vgl. id., 3: a. w., 515.
23. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Laborem
exercens (14 september 1981), 3: AAS 73 (1981),
583-584.
24. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 3: a. w., 794-796.
25. Vgl. Encycliek Populorum progressio, 3: a.
w., 258.
26. Vgl. id., 34: a. w., 274.
27. Vgl. Nrs. 8-9: AAS 60 (1968), 485-487;
Benedictus XVI, Toespraak tot de Deelnemers aan
het Internationale Congres van de Universiteit
van Lateranen bij Gelegenheid van de Veertigste
Gedenkdag van de Encycliek “Humanae vitae” (10
mei 2008): Insegnamenti, IV, 1 (2008), 753-756.
28. Vgl. Encycliek Evangelium vitae (25 maart
1995), Nr. 93: AAS 87 (1995), 507-508.
29. Id., 101: a. w., 516-518.
30. Nr. 29: AAS 68 (1976), 25.
31. Id., 31: a. w., 26.
32. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Sollicitudo rei socialis, 41: a. w., 570-572.
33. Vgl. id., Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 5.54: a. w., 799.859-860.
34. Nr. 15: a. w., 491.
35. Vgl. id., 2: a. w., 258; Leo XIII,
Encycliek Rerum novarum (15. Mei 1891): Leonis
XIII P.M. Acta, XI, Romae 1892, 97-144; Johannes
Paulus II, Encycliek Sollicitudo rei socialis ,
8: a. w., 519-520; Johannes Paulus II,
Encycliek Centesimus annus, 5: a. w., 799.
36. Vgl. Encycliek Populorum progressio, 2.13:
a. w., 258. 263-264.
37. Id., 42: a. w., 278.
38. Id., 11: a. w., 262; Johannes Paulus II,
Encycliek Centesimus annus, 25: a. w., 822-824.
39. Encycliek Populorum progressio, 15: a. w.,
265.
40. Id., 3: a. w., 258.
41. Id., 6: a. w., 260.
42. Id., 14: a. w., 264.
43. Id.; vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 53-62: a. w., 859-867;
Johannes Paulus II, Encycliek Redemptor hominis
(4 maart 1979), 13-14: AAS 71 (1979), 282-286.
44. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio, 12: a. w., 262-263.
45. Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale
Constitutie over de Kerk in de wereld van deze
tijd Gaudium et spes, 22.
46. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
13: a. w., 263-264.
47. Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de
Deelnemers aan het Vierde Nationale Congres van
de Kerk in Italië (19 oktober 2006):
Insegnamenti II, 2 (2006), 465-477.
48. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio, 16: a. w., 265.
49. Id.
50. Benedictus XVI, Toespraak tot de Jongeren te
Barangaroo East Darling Harbour (Sydney, 17 juli
2008).
51. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
20: a. w., 267.
52. Id., 66: a. w., 289-290.
53. Id., 21: a. w., 267-268.
54. Nrs. 3.29.32: a. w., 258.272.273.
55. Vgl. Encycliek Sollicitudo rei socialis, 28:
a. w., 548-550.
56. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
9: a. w., 261-262.
57. Vgl. Encycliek Sollicitudo rei socialis, 20:
a. w., 536-537.
58. Vgl. Encycliek Centesimus annus, 22-29: a.
w., 819-830.
59. Vgl. Nrs. 23.33: a. w., 268-269.273-274.
60. Vgl. a. w., 135.
61. Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale
Constitutie over de Kerk in de wereld van deze
tijd Gaudium et spes, 63.
62. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 24: a. w., 821-822.
63. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Vertatis
splendor (6 augustus 1993), 33.46.51: AAS 85
(1993), 1160.1169-1171.1174-1175; Johannes
Paulus II, Toespraak tot de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties bij
Gelegenheid van het Vijftigjarig Bestaan (5
oktober 1995), 3: Insegnamenti XVIII, 2 (1995),
732-733.
64. Vgl. Encycliek Populorum progressio, 47: a.
w., 280-281; Johannes Paulus II, Encycliek
Sollicitudo rei socialis, 42: a. w., 572-574.
65. Vgl. Benedictus XVI, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvoedseldag 2007: AAS 99
(2007), 933-935.
66. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Evangelium vitae, 18.59.63.64: a. w.,
419-421.467-468.472-475.
67. Vgl. Benedictus XVI, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 2007, 5:
Insegnamenti II, 2 (2006), 778.
68. Vgl. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 2002 , 4-7.12-15:
AAS 94 (2002), 134-136.138-140; Johannes Paulus
II, Boodschap ter gelegenheid van Wereldvrededag
2004, 8: AAS 96 (2004), 119; Johannes Paulus II,
Boodschap ter gelegenheid van Wereldvrededag 4:
AAS 97 (2005), 177-178; Benedictus XVI,
Boodschap ter gelegenheid van Wereldvrededag
2006, 9-10: AAS 98 (2006), 60-61; Benedictus
XVI, Boodschap ter gelegenheid van
Wereldvrededag 2007, 5.14: a. w., 778.782-783.
69. Vgl. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 2002, 6: a. w.,
135; Benedictus XVI, Boodschap ter gelegenheid
van Wereldvrededag 2006, 9-10: a. w., 60-61.
70. Vgl. Benedictus XVI, Homilie bij de
Eucharistieviering op het “Islinger Feld”, te
Regensburg (12 september 2006): Insegnamenti II,
2 (2006), 252-256.
71. Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas
est, 1: a. w., 217-218.
72. Johannes Paulus II, Encycliek Sollicitudo
rei socialis, 28: a. w., 548-550.
73. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
19: a. w., 266-267.
74. Id., 39: a. w., 276-277.
75. Id., 75: a. w., 293-294.
76. Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas
est, 28: a. w., 238-240.
77. Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus
annus, 59: a. w., 864.
78. Vgl. Encycliek Populorum progressio, 40.85:
a. w., 277.298-299.
79. Id., 13: a. w., 263-264.
80. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Fides et
ratio (14 september 1998), 85: AAS 91 (1999),
72-73.
81. Vgl. id., 83: a. w., 70-71.
82. Benedictus XVI, Toespraak aan de
Universiteit van Regensburg (12 september 2006):
Insegnamenti II, 2 (2006), 265.
83. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio, 33: a. w., 273-274.
84. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 2000, 15: AAS 92
(2000), 366.
85. Catechismus van de Katholieke Kerk Nr. 407;
vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus
annus, 25: a. w., 822-824.
86. Vgl. Nr. 17: AAS 99 (2007), 1000.
87. Vgl. id., 23: a. w., 1004-1005.
88. De heilige Augustinus behandelt deze leer
uitvoerig in de dialoog over de vrije wil (De
libero arbitrio II 3,8 e.v.). Hij spreekt van
een “innerlijke zin” in de menselijke ziel. Deze
zin bestaat uit een act, die wordt voltrokken
buiten de normale functies van het verstand om,
die niet het resultaat is van reflectie, maar in
zekere zin een instinctieve act is, waardoor het
verstand, als het zich bewust wordt van zijn
vergankelijke en feilbare wezen, het bestaan van
iets Eeuwigs aanneemt, dat absoluut waar en
zeker is. De heilige Augustinus noemt deze
innerlijke waarheid soms God (Belijdenissen
X,24,35; XII,25,35; De libero arbitrio II 3,8)
maar vaker Christus (De magistro 11,38;
Belijdenissen VII,18,24; XI,2,4).
89. Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est
3: a.w., 219.
90. Vgl. Nr. 49: a.w., 281.
91. Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus
annus, 28: a.w., 827-828.
92. Vgl. Nr. 35: a.w., 836-838.
93. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Sollicitudo rei socialis, 38: a.w., 565-566.
94. Nr. 44: a.w., 279.
95. Vgl. id., 24: a.w., 269.
96. Vgl. Encycliek Centesimus annus, 36: a.w.,
838-840.
97. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio, 24: a.w., 269.
98. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 32: a.w., 832-833; Paulus VI,
Encycliek Populorum progressio, 25: a.w.,
269-270.
99. Johannes Paulus II, Encycliek Laborem
Exercens, 24: a.w., 637-638.
100. Id., 15: a.w., 616-618.
101. Encycliek Populorum progressio, 27: a.w.,
271.
102. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer,
Instructie over de christelijke vrijheid en de
bevrijding Libertatis conscientia (22 maart
1986), 74: AAS 79 (1987), 587.
103. Vgl. Johannes Paulus II, Interview met het
Katholieke dagblad “La Croix” van 20 augustus
1997.
104. Johannes Paulus II, Toespraak tot de
Pauselijke Academie van Sociale Wetenschappen
(27 april 2001): Insegnamenti, XXIV, 1 (2001),
800.
105. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
17: a.w., 265-266.
106. Vgl. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 2003, 5: AAS 95
(2003), 343.
107. Vgl. id.
108. Vgl. Benedictus XVI., Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 2007 , 13: a.w.,
781-782.
109. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
65: a.w., 289.
110. Id., 36-37: a.w., 275-276.
111. Vgl. id., 37: a.w., 275-276.
112. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dekreet
over het Lekenapostolaat Apostolicam
actuositatem, 11.
113. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio, 14: a.w., 264; Johannes Paulus II,
Encycliek Centesimus annus, 32: a.w., 832-833.
114. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
77: a.w., 295.
115. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 1990, 6: AAS 82
(1990), 150.
116. Heraclitus van Efeze (ca. 535-475 v. Chr.),
Fragment 22B124, in: H. Diehls – W. Kranz, Die
Fragmente der Vorsokratiker, Weidmann, Berlijn
1952; 6de druk.
117. Vgl. Pauselijke Raad voor Gerechtigheid en
Vrede, Compendium van de Sociale Leer van de
Kerk, Nrs. 451-487.
118. Vgl. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 1990, 10: AAS 82
(1990), 152-153.
119. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
65: a.w., 289.
120. Benedictus XVI, Boodschap ter gelegenheid
van Wereldvrededag 2008, 7: AAS 100 (2008), 41.
121. Vgl. Benedictus XVI., Toespraak tot de
Leden van de Algemene Vergadering van de
Verenigde Naties (18 april 2008): Insegnamenti
IV, 1 (2008), 618-626.
122. Vgl. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 1990, 13: a.w.,
154-155.
123. Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus
annus, 36: a.w., 838-840.
124. Id., 38: a.w., 840-841; Benedictus XVI,
Boodschap ter gelegenheid van Wereldvrededag
2007, 8: a.w., 779.
125. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 41: a.w., 843-845.
126. Vgl. id.
127. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Evangelium vitae 20: a.w., 422-424.
128. Encycliek Populorum progressio, 85: a.w.,
298-299.
129. Vgl. Johannes Paulus II, Boodschap ter
gelegenheid van Wereldvrededag 1998, 3: AAS 90
(1998), 150; Johannes Paulus II., Toespraak tot
de leden van de Stichting “Centesimus annus” (9
mei 1998), 2: Insegnamenti XXI, 1 (1998),
873-874; Johannes Paulus II., Toespraak bij de
ontmoeting met de autoriteiten en het Corps
Diplomatique in de Hofburg te Wenen (20 juni
1998), 8: Insegnamenti XXI, 1 (1998), 1435-1436;
Johannes Paulus II, Boodschap aan de Rector
Magnificus van de Katholieke Universiteit Sacro
Cuore bij gelegenheid van de dies natalis van de
universiteit (5 mei 2000), 6: Insegnamenti
XXIII, 1 (2000), 759-760.
130. Naar Thomas van Aquino: “ratio partis
contrariatur rationi personae”, in: III Sent. d.
5,3,2; ook: “Homo non ordinatur ad communitatem
politicam secundum se totum et secundum omnia
sua”, in: Summa Theologiae I-II, q. 21, a. 4, ad
3.
131. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische
Constitutie Lumen gentium, 1.
132. Vgl. Johannes Paulus II, Toespraak tot de
Openbare Zitting van de Pauselijke Academie voor
Theologie en de Pauselijke Academie van de
heilige Thomas van Aquino (8 november 2001), 3:
Insegnamenti XXIV, 2 (2001), 676-677.
133. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer,
Verklaring over de uniciteit en de universele
heilsactiviteit van Jezus Christus en de Kerk
Dominus Jesus (6 augustus 2000), 22: AAS 92
(2000), 763-764; id., Leerstellige nota met
betrekking tot enkele vragen over de inzet en de
houding van Katholieken in het politieke leven
(24 november 2002), 8: AAS 96 (2004), 369-370.
134. Vgl. Benedictus XVI., Encycliek Spe salvi,
31: a.w., 1010; Benedictus XVI, Toespraak tot de
deelnemers aan het vierde Nationale Congres van
de Kerk in Italië (19 oktober 2006), a.w.,
465-477.
135. Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus
annus 5: a.w., 798-800; vgl. Benedictus XVI,
Toespraak tot de deelnemers aan het vierde
Nationale Congres van de Kerk in Italië (19
oktober 2006), a.w., 471.
136. Nr. 12.
137. Vgl. Pius XI., Encycliek Quadragesimo anno
(15 mei 1931), AAS 23 (1931), 203; Johannes
Paulus II, Encycliek Centesimus annus, 48: a.w.,
852-854; Catechismus van de Katholieke Kerk, Nr.
1883.
138. Vgl. Johannes XXIII., Encycliek Pacem in
terris: a.w., 274.
139. Vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum
progressio, 10.41; a.w., 262.277-278.
140. Vgl. Benedictus XVI., Toespraak tot de
leden van de Internationale Theologencommissie
(5 oktober 2007): Insegnamenti, III, 2 (2007),
418-421; Benedictus XVI, Toespraak tot de
deelnemers van het door de Pauselijke
Universiteit van Lateranen georganiseerde
congres over de “natuurlijke zedenwet” (12
februari 2007): Insegnamenti, III, 1 (2007),
209-212.
141. Vgl. Benedictus XVI., Toespraak tot de
bisschoppen van de Thaise bisschoppenconferentie
bij gelegenheid van hun Ad-liminabezoek (16 mei
2008): Insegnamenti , IV, 1 (2008), 798-801.
142. Vgl. Pauselijke Raad voor de Pastorale Zorg
voor Migranten en Reizigers, Instructie Erga
migrantes caritas Christi (3 mei 2004): AAS 96
(2004), 762-822.
143. Johannes Paulus II, Encycliek Laborem
exercens, 8: a.w., 594-598.
144. Toespraak aan het einde van de
Eucharistieviering bij gelegenheid van het
Jubileum van de Arbeiders (1 mei 2000):
Insegamenti XXIII, 1 (2000), 720.
145. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 36: a.w., 838-840.
146. Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de
deelnemers aan het vierde Nationale Congres van
de Kerk in Italië (19 oktober 2006),: a.w.,
618-626.
147. Vgl. Johannes XXIII., Encycliek Pacem in
terris: a.w., 293; Pauselijke Raad voor
Gerechtigheid en Vrede, Compendium van de
Sociale Leer van de Kerk, Nr. 441.
148. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale
Constitutie over de Kerk in de wereld van deze
tijd Gaudium et spes, 82.
149. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Sollicitudo rei socialis, 43: a.w., 574-575.
150. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
41: a.w., 277-278; vgl. Tweede Vaticaans
Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in
de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 57.
151. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Laborum
exercens, 5: a.w., 586-589.
152. Vgl. Paulus VI, Apostolisch Schrijven
Octogesima adveniens, 29: a.w., 420.
153. Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de
deelnemers aan het vierde nationale congres van
de Kerk in Italië (19 oktober 2006): a.w.,
465-477; Benedictus XVI, Homilie bij de
Eucharistieviering op het “Islinger Feld”, te
Regensburg (12 september 2006): a.w., 252-256.
154. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer,
Instructie betreffende bepaalde bio-ethische
vraagstukken Dignitas personae (8 september
2008): AAS 100 (2008), 858-887.
155. Vgl. Encycliek Populorum progressio, 3:
a.w., 258.
156. Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale
Constitutie over de Kerk in de wereld van deze
tijd Gaudium et spes, 14.
157. Vgl. Nr. 42: a.w., 278.
158. Vgl. Benedictus XVI., Encycliek Spe salvi,
35: a.w., 1013-1014.
159. Paulus VI, Encycliek Populorum progressio,
42: a.w., 278.