|
Bisdom van Haarlem
Na de verklaring van de bisschop van Haarlem d.d. 31 mei 2002 met betrekking tot de authenticiteit van de verschijningen van de H. Maagd Maria als de Vrouwe van alle Volkeren in Amsterdam gedurende 1945 - 1959, zijn er verschillende media publicaties verschenen die de kerkelijke positie trachten weer te geven. Enkele van deze publicaties zijn onvolledig en bevatten onjuistheden. De begeleidingscommissie geeft onderstaand een bijdrage aan een juiste weergave van het verloop van de kerkelijke positie, zich baserend op het voorhanden zijnde materiaal in het archief van het bisdom Haarlem. Volgens kerkelijke principes en richtlijnen is het primair aan de locale bisschop om zich over de authenticiteit van een private openbaring in zijn diocees uit te spreken. De Congregatie voor de Geloofsleer kan dit later bevestigen, maar dit hoeft niet te gebeuren. Bij zijn beoordeling staan de locale bisschop normaliter drie kwalificaties ter beschikking: 'Constat de supernaturalitate', dat wil zeggen een bovennatuurlijke oorsprong staat vast. 'Non constat de supernaturalitate', dat wil zeggen een bovennatuurlijke oorsprong staat niet vast. 'Constat de non supernaturalitate', dat wil zeggen het staat vast dat er geen bovennatuurlijke oorsprong is. Naast deze uitspraken over de authenticiteit kunnen disciplinaire uitspraken worden gedaan. Het is niet ongebruikelijk dat in de loop van de tijd meer dan één uitspraak wordt gedaan in een bepaalde zaak. De verschijningen en de devotie hebben in de loop van ruim vijftig jaar de aandacht van achtereenvolgens de vijf bisschoppen van Haarlem gehad. Tweemaal is er een periode van intenser onderzoek geweest, eerst onder Mgr. Huibers en de tweede keer onder Mgr. Zwartkruis. I. Mgr. J.P. Huibers, 1935-1960 Na een eerste intensieve onderzoeksfase deelde Mgr. Huibers in 1956 in zijn verklaring het oordeel van zijn onderzoekscommissie mee (Analecta 7-5-1956). Deze was van oordeel dat er geen bovennatuurlijke verklaring aan de verschijningen gegeven kon worden. De onderzoekscommissie stelde in haar rapportage dat het onderzoek nog niet was afgerond. De bisschop zelf deed geen eigen uitspraak over de authenticiteit, noch op grond van het oordeel van de commissie, noch op grond van zijn eigen overtuiging. Hij beperkte zich tot een disciplinaire uitspraak en hij herhaalde zijn positie van 1954 en 1955: verbod van de publieke devotie. Zijn disciplinaire maatregel werd bevestigd door het H. Officie op 13 maart 1957. Het H. Officie liet daarbij weten dat zij niet uitsloot dat in de toekomst nieuwe informatie zou worden aangeleverd. In de jaren hierna werden nieuwe ervaringen van de zieneres opgetekend en aan de bisschop doorgegeven. De bisschop betwijfelde nu de door de commissie gevolgde procedure en haar oordeel en overwoog het onderzoek te heropenen. Na briefwisseling met de consultor van het H. Officie bleef een besluit hierover uit. Mgr. Huibers bleef zijn aandacht geven aan de kwestie. Na zijn terugtreden (1960) groeide bij Mgr. Huibers, blijkens correspondentie en getuigenissen, de overtuiging dat de verschijningen authentiek waren. II. Mgr. A.E. van Dodewaard, 1960-1966 Mgr. Van Dodewaard nam op zijn beurt kennis van het dossier. Alle als verschijningen gekenschetste ervaringen van de zieneres, die tot 31 mei 1959 doorgingen, waren dan opgenomen in het dossier. In de ogen van vier theologieprofessoren was de zaak onvoldoende onderzocht en zij benadrukten het feit dat het nog niet was afgerond. In 1961 richtten zij zich tot de Paus met de vraag het onderzoek te heropenen. Het bisdom ontving hierop een brief van het H. Officie, getekend Parente, assessor (25 augustus 1961), waarin gesteld werd dat er geen plaats overbleef voor enige verdere actie. Men hield vast aan de uitspraak van de bisschop van 1956 en de bevestiging daarvan door het H. Officie van 1957. In de media circuleert nu een misleidende weergave van deze brief. In de brief van het H. Officie van 25 augustus 1961 komen namelijk de woorden 'de zaak is definitief afgesloten…' en '…de boodschappen zijn vals en blijven verboden voor publicatie…' niet voor. Dergelijke publicaties zorgen voor onnodige verwarring. Het bleef dus bij een disciplinaire uitspraak. Wat de authenticiteit betreft was er feitelijk sprake van een 'non constat'. III. Mgr. Th.H.J. Zwartkruis, 1966-1983 Mgr. Zwartkruis besloot het onderzoek wel te heropenen en stelde in 1967 een commissie in. Hij deed dat in overleg met de Congregatie voor de Geloofsleer. De Congregatie kwam hiermee terug op haar standpunt van 1961 dat voor enige verdere actie geen plaats overbleef. Mgr. Zwartkruis deelde in zijn verklaring (29-1-1973), evenals zijn voorganger Mgr. Huibers, het advies en de overwegingen van zijn commissie mee. De commissie neigde naar een natuurlijke verklaring van de gebeurtenissen, doch adviseerde de publieke verering toe te staan. De bisschop deed evenmin als zijn voorgangers een officiële uitspraak over de authenticiteit van de verschijningen, maar nam het advies en de overwegingen van de commissie over. Hij beperkte zich evenals zijn voorganger Mgr. Huibers, tot disciplinaire maatregelen. Nieuw ten opzichte van zijn voorgangers was de intentie van Mgr. Zwartkruis de publieke verering toe te staan. Na dit te hebben voorgelegd aan de Congregatie voor de Geloofsleer "die indertijd de genoemde beperkende maatregelen van Mgr. Huibers had bekrachtigd", werd besloten vast te houden aan de disciplinaire situatie van 1956. In mei 1974 stuurt de Congregatie de bisschop van Haarlem een brief (Analecta augustus 1974), wijzend op de "getroffen maatregelen" van 1956 en het gegeven dat "de bovennatuurlijke oorsprong van de verschijningen niet vaststond". Wat betreft de authenticiteit bleef de feitelijke 'non constat' situatie dus in stand. Dit werd in 1987 door kardinaal Ratzinger in een brief aan kardinaal Vachon van Québec nog eens bevestigd. IV. Mgr. H.J.A. Bomers, 1983-1998 In de jaren na deze
uitspraak werd het dossier nog met veel nieuw materiaal aangevuld. Mgr. Bomers,
de opvolger van Mgr. Zwartkruis, nam op zijn beurt kennis van het dossier en
verdiepte zich persoonlijk in de zaak. Evenals zijn voorgangers had ook hij
persoonlijk contact met de zieneres. De devotie was inmiddels wereldwijd
verspreid. In 1996 ging Mgr. Bomers samen met zijn hulpbisschop Mgr. J.M. Punt,
na overleg met de Congregatie, over tot het vrijgeven van de openbare devotie en
deed verder geen uitspraak over de authenticiteit. Daarmee ging een nieuwe fase
in. De devotie groeide sterk en steeds dringender werd aan de lokale bisschop de
vraag gesteld, zich duidelijk over de authenticiteit uit te spreken. De tijd en
verdere ontwikkelingen hadden inmiddels ook een nieuw licht op de verschijningen
geworpen en een definitieve uitspraak, constat of constat non was nog steeds
niet gedaan.
V. Mgr. J.M. Punt Mgr. Punt, intussen bisschop van Haarlem, werd geconfronteerd met deze nieuwe ontwikkelingen waarbij de zaak van de Vrouwe van alle Volkeren een hernieuwde actualiteit kreeg. Na ruim 50 jaar met 2 intensieve onderzoeksfasen achtte hij een nieuw onderzoek niet meer mogelijk: De zieneres was inmiddels overleden. Alle mogelijke pro en contra argumenten waren voldoende gedocumenteerd. Hij heeft derhalve de bestaande onderzoeken opnieuw bestudeerd en de resultaten nogmaals aan enkele theologen en psychologen voorgelegd, en advies gevraagd over verdere ontwikkelingen en vruchten aan collegabischoppen. Dit heeft hem na gebed en theologische reflectie tot de vaststelling gebracht, dat in de verschijningen van Amsterdam een bovennatuurlijke oorsprong gegeven is. Deze erkenning van de authenticiteit deelde hij mee in een officiële verklaring gedateerd op 31 mei 2002. In de verklaring zelf en de begeleidende pastorale brief maakt hij daarbij de volgende aantekeningen:
De bisschop heeft een begeleidingscommissie benoemd om de ontwikkeling van de
devotie te volgen en tot een verdiept inzicht
te komen in de betekenis ervan. Dit alles om de correcte kerkelijke en
theologische voortgang van de devotie te bevorderen. Haarlem, 25 oktober 2002
- Stichting Marypages -
|